Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - algemeen | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze digitale toets richt zich op de anatomie en fysiologie van planten, met specifieke onderwerpen zoals de vergelijking van cuticula en bladverhoudingen, de invloed van belichting op bloei, en de effecten van temperatuur op plantprocessen, en is bedoeld voor studenten in de biologie. - 39 vragen

Aantal vragen

39

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Vergelijking van cuticula en bladverhoudingen

Anatomie blad.

Van twee planten, zeekraal en wilg, worden de dikte van de cuticula en de verhouding bladoppervlak/bladvolume met elkaar vergeleken.
De zeekraal groeit in een gebied dat periodiek omspoeld wordt door zeewater.
De wilg groeit aan een beek.

Wat kan verwacht worden ten aanzien van de dikte van de cuticula en genoemde verhouding bij zeekraal in vergelijking met die van de wilg?

afbeeldingafbeelding

Vergelijking van wortel en stengel zaadplant

Anatomie zaadplant.

Een wortel en een stengel van een zaadplant worden vlak voor het begin van de diktegroei met elkaar vergeleken.
Over deze wortel en deze stengel worden de volgende beweringen gedaan:

1. in de wortel zijn de houtvaten en de bastvaten anders gegroepeerd dan in de stengel;
2. de wortel heeft een groeipunt, de stengel niet;
3. de wortel heeft geen huidmondjes, de stengel wel;
4. de wortel heeft geen bastvaten, de stengel wel.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Groei en ontwikkeling van tarweplanten

Groei van tarweplant voorafgaande aan bloei.
Zie figuur A 9 van de bijlage.

Bij een tarweplant worden de verhoudingen tussen drooggewicht en versgewicht en tussen N2 -gehalte en drooggewicht bepaald in de groeiperiode voorafgaande aan de bloeiperiode.
In de figuur zijn de verkregen resultaten in diagrammen uitgezet tegen de tijd.

Uit het verloop van de curven kan men afleiden dat deze groeiperiode gekarakteriseerd kan worden door

afbeeldingafbeelding

Groeisnelheid van tulpbloem bij temperatuurverandering

Bloem van tulp.
Zie figuur B 244 van de bijlage.

Het open- en dichtgaan van de bloem van een tulp wordt veroorzaakt door verschillen in groeisnelheid tussen de binnen- en buitenzijde van de bloembladen. Deze verschillen in groei staan onder invloed van de temperatuur; bij verhoging van de temperatuur gaat de bloem open en bij verlaging sluit zij zich.
In de diagrammen zijn de groeisnelheden van de binnen- en buitenzijde van de bloembladen weergegeven.
Op tijdstip P wordt de temperatuur verhoogd van 7°C naar 17°C.
Op tijdstip Q wordt de temperatuur verlaagd van 20°C naar 10°C.

Welke grafieken gelden voor de binnenzijde van de bloembladen?

afbeeldingafbeelding

Invloed van belichting op bloei bij planten

Belichting en bloei bij plant.
Zie figuur A 276 van de bijlage.

Vele processen in planten staan onder invloed van licht.
Bij twee verschillende soorten planten, P en Q, is de invloed van de belichtingsduur op het in bloei raken onderzocht. Gedurende een aantal maanden werden planten op verschillende wijzen belicht. De belichtingsduur en de resultaten daarvan zijn weergegeven in de afbeelding.
Naar aanleiding van deze resultaten worden de volgende beweringen gedaan:

1. De planten van soort P gaan bloeien als zij een aaneengesloten belichtingsduur van meer dan 8 uur per etmaal hebben gehad.
2. De planten van soort P gaan bloeien als zij een aaneengesloten donkerperiode van 16 uur per etmaal hebben gehad.
3. De planten van soort Q gaan bloeien als zij een aaneengesloten belichtingsduur van ten minste 15 uur per etmaal hebben gehad.
4. De planten van soort Q gaan bloeien als zij een aaneengesloten donkerperiode van ten minste 8 uur per etmaal hebben gehad.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Effect van belichting op bloeiende planten

Bloeiende planten.

In een experiment werd het in bloei komen van chrysantenplanten onderzocht. Daartoe werden van vier niet-bloeiende chrysantenplanten de eindknoppen en de bladeren afzonderlijk belicht met verschillende belichtingsduur. In de tabel hieronder zijn de belichtingswijze, de belichtingsduur en de resultaten weergegeven.
De andere omstandigheden waren tijdens het experiment gelijk.
afbeeldingafbeelding

Vier leerlingen beschrijven deze resultaten als volgt:

- leerling 1: belichting van de bladeren gedurende 8 uur heeft bloei tot gevolg gehad;
- leerling 2: belichting van de bladeren gedurende 16 uur heeft bloei tot gevolg gehad;
- leerling 3: belichting van de eindknoppen gedurende 8 uur heeft bloei tot gevolg gehad;
- leerling 4: belichting van de eindknoppen gedurende 16 uur heeft bloei tot gevolg gehad.

Welke van deze leerlingen levert een juiste beschrijving?

Signalen en samenvouwen bij Kruidje-roer-me-niet

Kruidje-roer-me-niet.
Zie figuur B 1270 van de bijlage.

Bij het aanraken van een blad van de plant kruidje-roer-me-niet (zie de afbeelding) vouwt dit blad zich samen.
Onderzoek heeft aangetoond dat er verschillende typen signalen zijn, die leiden tot het samenvouwen van een blad. Bij één van deze typen signalen worden de signalen snel doorgegeven en spelen celmembranen een belangrijke rol. Het is gebleken dat deze signalen worden doorgegeven via het gedeelte van de vaatbundels waarin zich houtvaten, parenchymcellen en vezels bevinden.

Door welk of door welke van deze delen zullen deze signalen snel worden doorgegeven?

afbeeldingafbeelding

Geleiding van elektriciteit in plantencellen

Plantencellen onder stroom.
Zie figuur B 1120 van de bijlage.

In experimenten wordt de geleiding van elektrische stroom tussen twee plantencellen met bladgroen (P en Q) bestudeerd. De proefopstellingen zijn schematisch weergegeven in de afbeelding.
Twee elektroden staan in verbinding met een spanningsbron. In experiment 1 steekt één elektrode in cel P, de andere elektrode rust op de wand van cel Q. In dit experiment wordt geen elektrische stroom tussen de elektroden gemeten.
Vervolgens blijft in experiment 2 één elektrode in cel P, de andere elektrode wordt in cel Q gestoken. Nu wordt er wel een elektrische stroom tussen de elektroden gemeten.

Welke van onderstaande conclusies kan op grond van deze experimenten juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Temperatuur en fotosynthese bij planten

Invloed temperatuur op plant.
Zie figuur B 1122 van de bijlage.

Een plant met bladgroen wordt gedurende 10 uur onderzocht in een omgeving waarin de temperatuur van de lucht varieert. De plant vangt zonlicht optimaal op. De lucht is droog en de plant kan voldoende water uit de bodem opnemen.
Op tijdstip t wordt een blad van deze plant afgesneden en naast de plant gehangen. Gedurende de waarnemingsperiode wordt regelmatig de temperatuur bepaald van de lucht, van het afgesneden blad en van een even groot blad dat aan de plant zit. De resultaten zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.

Voor het feit dat de temperatuur van het blad aan de plant na tijdstip t minder stijgt dan die van het afgesneden blad, worden vier verklaringen geopperd:

1. Het blad aan de plant verbruikt meer opgenomen energie voor de dissimilatie dan het afgesneden blad.
2. Door het blad aan de plant wordt licht geabsorbeerd en door het afgesneden blad niet.
3. Uit het blad aan de plant verdampt meer water dan uit het afgesneden blad.
4. Uit het blad aan de plant worden de gevormde assimilatieproducten afgevoerd en uit het afgesneden blad niet; hierdoor is de warmteproductie in het blad aan de plant lager.

Welke van deze verklaringen is juist?

-

afbeeldingafbeelding

Zomer- en wintertarwe: Genotypeverschillen

Zomer- en wintertarwe.

Als zomertarwe en wintertarwe in het voorjaar gezaaid worden, dan bloeit in de zomer alleen de zomertarwe. Als de zaden van wintertarwe echter vóór het zaaien aan een lage temperatuur worden blootgesteld, en vervolgens in het voorjaar gezaaid worden, dan kunnen de planten die uit deze zaden ontstaan wèl dezelfde zomer bloeien.

Kan het verschil tussen zomertarwe en (onbehandelde) wintertarwe door een verschil in genotype veroorzaakt worden?
Wordt het verschil tussen onbehandelde en aan koude blootgestelde wintertarwe veroorzaakt door een verschil in genotype?

afbeeldingafbeelding

Stevigheid in Planten en Dieren

Stevigheid in planten- en dierenrijk.

Zowel in het plantenrijk als in het dierenrijk wordt in de stevigste organen de stevigheid ontleend aan

Transport van water en zouten in planten

1/5 Planten.
Zie figuur B 1652 van de bijlage.

In de wortel worden water en zouten opgenomen en naar de stengel getransporteerd. Delen van de wortel zijn onder andere bastvaten, endodermis, houtvaten, opperhuid en schorsparenchym (zie de afbeelding).

Door celmembranen van welk van de genoemde delen gaan water en zouten in elk geval heen op weg van de bodem naar de houtvaten in de stengel?

afbeeldingafbeelding

Organen van een zaadplant

2/5 Planten.

Een bepaalde cel van een zaadplant wordt optimaal belicht. In de cel wordt in die situatie zuurstof verbruikt, maar geen koolstofdioxide. Alle andere omstandigheden zijn ook optimaal.

Uit welk of uit welke van de organen blad, bloem, stengel en wortel kan deze cel afkomstig zijn?

Verlichtingssterkte en fotosynthese bij planten

3/5 Planten.
Zie figuur A 331 van de bijlage.

In het diagram is de koolstofdioxide-opname en -afgifte van een plant bij verschillende verlichtingssterkten weergegeven. Aangenomen wordt dat de intensiteit van de dissimilatie niet wordt beïnvloed door de verlichtingssterkte.

Bereken bij welke verlichtingssterkte deze plant, bij fotosynthese, 20 µmol glucose per uur produceert.

afbeeldingafbeelding

Verdamping van water bij bomen

4/5 Planten.
Zie figuur B 1653 van de bijlage.

Een boom in Nederland neemt gedurende een etmaal in de zomer een hoeveelheid water uit de bodem op. Van dit water wordt een deel verbruikt voor de stofwisseling, een deel wordt verbruikt voor de groei en een deel verdampt. Dit is in de afbeelding schematisch door pijlen weergegeven. De breedte van de pijl is een maat voor de hoeveelheid water die bij de genoemde processen is betrokken.

Welke van deze pijlen geeft de verdamping weer?

afbeeldingafbeelding

Huidmondjesopening in de ochtendstonden

5/5 Planten.

Gedurende hetzelfde etmaal wordt de waterstroom in de houtvaten van de boom bepaald. De boom kan steeds voldoende water opnemen en de luchtvochtigheid en de wind blijven gedurende dit etmaal constant. Tussen 6.00 uur en 10.00 uur 's ochtends neemt de snelheid van de waterstroom in de boom toe. De temperatuur en de verlichtingssterkte nemen in deze periode eveneens toe.

Is het aantal huidmondjes dat om 6.00 uur geopend is, kleiner dan, gelijk aan of groter dan het aantal dat om 10.00 uur geopend is?

Invloed van temperatuur op plantprocessen

1/3 Hitte-stress.
Zie figuur B 3890 van de bijlage.

Bij veel plantensoorten hebben hoge temperaturen een remmende invloed op de intensiteit van stofwisselingsprocessen. In een experiment is bij twee plantensoorten, Atriplex sabulosa en Tidestromia oblongifolia, de invloed van de temperatuur op de intensiteit van fotosynthese en dissimilatie onderzocht. Intacte bladeren aan de plant werden 15 minuten blootgesteld aan een bepaalde hoge temperatuur. Nadat de temperatuur tot 30°C was teruggebracht werden CO2 -gebruik en CO2 -productie gemeten. De resultaten zijn weergegeven in de afbeelding.
CO2 -gebruik en CO2 -productie van planten die constant bij 30°C werden gehouden is op 100% gesteld.

Twee leerlingen bestuderen de gegevens in de afbeelding en trekken daaruit een conclusie.

Leerling 1: De maximumtemperatuur van de enzymen die betrokken zijn bij de fotosynthese ligt bij T. oblongifolia hoger dan bij A. sabulosa.
Leerling 2: De maximumtemperatuur van de enzymen betrokken bij de fotosynthese bij A. sabulosa ligt lager dan die van de enzymen betrokken bij de dissimilatie in deze plant.

Welke van deze leerlingen heeft of welke hebben een juiste conclusie getrokken?

-

afbeeldingafbeelding

Invloed van temperatuur op fotosynthese en dissimilatie

2/3 Hitte-stress.
Zie figuur B 3890 van de bijlage.

Bij veel plantensoorten hebben hoge temperaturen een remmende invloed op de intensiteit van stofwisselingsprocessen. In een experiment is bij twee plantensoorten, Atriplex sabulosa en Tidestromia oblongifolia, de invloed van de temperatuur op de intensiteit van fotosynthese en dissimilatie onderzocht. Intacte bladeren aan de plant werden 15 minuten blootgesteld aan een bepaalde hoge temperatuur. Nadat de temperatuur tot 30°C was teruggebracht werden CO2 -gebruik en CO2 -productie gemeten. De resultaten zijn weergegeven in de afbeelding.
CO2 -gebruik en CO2 -productie van planten die constant bij 30°C werden gehouden is op 100% gesteld.

Leerling 3 trekt op grond van de informatie uit de afbeelding de volgende conclusie:

Bij een temperatuur van 40°C is de hoeveelheid vastgelegde organische stof per mm3 blad bij A. sabulosa en bij T. oblongifolia even groot.

Is deze conclusie juist? Leg je antwoord uit.

-

afbeeldingafbeelding

Temperatuurcompensatiepunt van T. oblongifolia

3/3 Hitte-stress.
Zie figuur B 3890 van de bijlage.

De temperatuur waarbij de per tijdseenheid vastgelegde hoeveelheid CO2 gelijk is aan de per tijdseenheid afgegeven hoeveelheid CO2 wordt het temperatuurcompensatiepunt genoemd.
Boven het compensatiepunt wordt bij de fotosynthese minder glucose gevormd dan bij de dissimilatie wordt verbruikt. Als gevolg daarvan kunnen vruchten minder zoet worden.

Waar ligt het temperatuurcompensatiepunt van T. oblongifolia?

afbeeldingafbeelding

Producten van eiwitvertering in Ronde zonnedauw

1/6 Ronde zonnedauw.
Zie figuur C 153 van de bijlage.

In Nederland komt Ronde zonnedauw voor (zie de afbeelding). Dit is een plantje met een bladrozet. De bladeren zijn groen en zijn aan de bovenkant bedekt met rode uitsteeksels die aan de top druppels kleverig vocht afscheiden. Deze druppels lokken insecten aan die vast komen te zitten in het kleverige vocht. De rode uitsteeksels vormen vervolgens enzymen die de eiwitten van het insect verteren zoals ook in het verteringskanaal van de mens gebeurt. De producten die ontstaan bij deze eiwitvertering, worden door cellen van de uitsteeksels opgenomen. Ronde zonnedauw groeit vaak tussen veenmos op een zeer voedselarme bodem.

De plantjes kunnen slecht tegen kalk en mest. In het najaar vergaan de bladeren van de Ronde zonnedauw, terwijl het veenmos verder groeit. In het centrum van het bladrozet van de Ronde zonnedauw blijft een winterknop over. Deze groeit in het volgend voorjaar uit tot een nieuwe bladrozet die weer iets boven het veenmos uitsteekt.

Welk type stoffen wordt bedoeld met de ‘producten' uit het stukje hierboven?

afbeeldingafbeelding

Producten van de Ronde zonnedauw

2/6 Ronde zonnedauw.
Zie figuur C 153 van de bijlage.

Voor welk proces worden door de Ronde zonnedauw de gevraagde ‘producten' vooral gebruikt?

afbeeldingafbeelding

Enzymen en fotosynthese in zonnedauw

3/6 Ronde zonnedauw.
Zie figuur C 153 van de bijlage.

In de afbeelding zijn plaatsen aangegeven met de cijfers 1 en 2.

Is het waarschijnlijk dat zich op de plaatsen aangegeven met 1 enzymen bevinden die bij de fotosynthese zijn betrokken?
En op plaats 2?

afbeeldingafbeelding

Grafiek van Ronde zonnedauw identificeren

4/6 Ronde zonnedauw.
Zie figuur B 2236 van de bijlage.

In de afbeelding zijn in een diagram de tolerantiegebieden voor kalk weergegeven van Ronde zonnedauw en van twee tuinplanten.
Uit de tekst is af te leiden, welke grafiek geldt voor Ronde zonnedauw.

Welke grafiek is dit?

afbeeldingafbeelding

Ronde zonnedauw en zure regen

5/6 Ronde zonnedauw.
Zie figuur B 2534 van de bijlage.

In Nederland komt Ronde zonnedauw voor (zie de afbeelding). Dit is een plantje met een bladrozet. De bladeren zijn groen en zijn aan de bovenkant bedekt met rode uitsteeksels die aan de top druppels kleverig vocht afscheiden. Deze druppels lokken insecten aan die vast komen te zitten in het kleverige vocht. De rode uitsteeksels vormen vervolgens enzymen die de eiwitten van het insect verteren zoals ook in het verteringskanaal van de mens gebeurt. De producten die ontstaan bij deze eiwitvertering, worden door cellen van de uitsteeksels opgenomen. Ronde zonnedauw groeit vaak tussen veenmos op een zeer voedselarme bodem.
De plantjes kunnen slecht tegen kalk en mest. In het najaar vergaan de bladeren van de Ronde zonnedauw, terwijl het veenmos verder groeit. In het centrum van het bladrozet van de Ronde zonnedauw blijft een winterknop over. Deze groeit in het volgend voorjaar uit tot een nieuwe bladrozet die weer iets boven het veenmos uitsteekt.

In natuurgebieden die grenzen aan gebieden met intensieve veeteelt draagt zure regen bij aan de achteruitgang van Ronde zonnedauw.

Leg uitgaande van de tekst en met behulp van de figuur uit waardoor dat zo is.

afbeeldingafbeelding

Eigenschappen van Ronde zonnedauw

6/6 Ronde zonnedauw.

Ronde zonnedauw is één van de weinige plantensoorten die zich in de volgende omstandigheden kan handhaven:

- in een voedselarme omgeving,
- tussen steeds doorgroeiend veenmos.

Noem de twee eigenschappen waardoor Ronde zonnedauw zich in deze omstandigheden kan handhaven.

Stoffen ter bescherming tegen uitdroging

Uitdroging van planten.

De volgende stoffen worden beschouwd in verband met hun functie voor het organisme: chitine, kurk, was.

Welke stoffen kunnen organismen tegen uitdroging beschermen?

Gewichtsverlies van aardappelen in droge omstandigheden

Aardappelen.

Welke van de volgende aardappelen zal het grootste percentage gewichtsverlies ondergaan gedurende drie dagen in droge omstandigheden?

Waterverlies door verdamping bij planten

Verdamping bij planten.

Plantenbladeren verliezen water door verdamping.

In welke van de volgende weersomstandigheden zal dit waterverlies het minst rampzalig zijn voor een plant die lijdt aan een watertekort?

Bij weer.

Ideale bemesting voor roggeopbrengst

Bemesting.
Zie figuur B 5762 van de bijlage.

Bodemzouten zijn onmisbaar voor planten. Nog belangrijker is de onderlinge verhouding van deze zouten. Afhankelijk van de plantensoort kan de ideale verhouding ook nog sterk variëren. Om verspilling tegen te gaan wordt de invloed van de kaliumbemesting onderzocht op de opbrengst van rogge bij twee verschillende fosfaatbemestingen.
Bekijk de afbeelding hiernaast.

Wat is de meest ideale verhouding kalium/fosfaat bemesting bij de hoogst mogelijke opbrengst (tegen de laagste kostprijs)?

afbeeldingafbeelding

Osmose en opname van stoffen door wortels

Plantenwortel.

Uit het feit dat een plantenwortel bij een temperatuur van slechts enkele graden boven 0°C geen opgeloste anorganische stoffen meer opneemt blijkt dat

Witte Bloemen en Lichtweerkaatsing

Witte bloemen.
Zie figuur B 5767 van de bijlage.

De witte kleur van bloemen komt tot stand door

afbeeldingafbeelding

Kenmerken van floëemcellen

Celtypes.
Zie figuur B 5771 van de bijlage.

In de afbeelding hiernaast is een cel aangeduid met a.

Welke bewering geldt of welke beweringen gelden voor deze cel?

afbeeldingafbeelding

Vriespunt van water in plantencellen

Water.

Het vriespunt van water is 0ºC. Er ontstaan echter zelden ijskristallen in plantencellen, als de buitentemperatuur onder 0ºC daalt.

Wat is daarvan de reden?

Verdediging van Planten tegen Pathogenen

Verdediging bij planten.

Welk van de volgende beweringen is of welke zijn waar over de verdediging van planten tegen pathogenen?

I. Planten hebben net als dieren antistoffen, die in hun vaten circuleren.
II. Planten hebben geen verdediging omdat ze niet worden aangevallen door pathogenen.
III. Planten zijn afhankelijk van mechanische barrières en chemicaliën om hen te beschermen.

Vergelijking van plantengroei op twee locaties

Groei van planten.

Een ecoloog vergelijkt de groei van een kruidachtige plantensoort die op twee verschillende plaatsen A en B groeit. Om de groei van beide populaties te vergelijken, heeft hij 30 planten van beide plaatsen geoogst en de lengte van hun wortel, de biomassa van de wortel en de biomassa van de stengel bepaald.
Een overzicht van zijn metingen staat in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Welke van de beweringen hieronder is op grond van die metingen waarschijnlijk juist?

Invloed van Licht op Graskiemplantjes

Fototropie.
Zie figuur A 1215 van de bijlage.

De afbeelding hiernaast laat de invloed zien van licht op van graskiemplantjes, die al of niet bedekt waren met een "blinddoek": een rood gekleurd stukje metaal waar geen licht doorheen kon.

De resultaten zijn op het onderste deel van de afbeelding afgebeeld.

Welke conclusie kan op grond van deze resultaten niet worden getrokken?

afbeeldingafbeelding

Anorganische grondstoffen voor plantenbescherming

1/2 Planten beschermen zich.

Sommige planten voorkomen levensbedreigende schade als gevolg van vraat door anatomische aanpassingen, zoals stekels, haren of doorns.
Planten kunnen ook stoffen vormen die onsmakelijk of giftig zijn voor plantenetende dieren. Zo maakt de Cypreswolfsmelk een giftige polyhydroxyditerpeen-ester (zie de afbeelding hieronder).

afbeeldingafbeelding

Welke anorganische grondstoffen heeft de Cypreswolfsmelk minimaal nodig om deze diterpeen-ester op te bouwen?

Overlevingsstrategieën van de Wolfsmelkpijlstaart

2/2 Planten beschermen zich.
Zie figuur B 4722 van de bijlage.

De rups van de vlindersoort Wolfsmelkpijlstaart heeft geen last van de diterpeen-ester in de Cypreswolfsmelkplant waar hij van eet. Het gif wordt in zijn lichaam geïsoleerd opgeslagen. De rups is opvallend rood-zwart-wit gekleurd (zie de afbeelding).

Leg uit hoe het opvallende uiterlijk van de Wolfsmelkpijlstaartrups de overlevingskans van de soort vergroot.

afbeeldingafbeelding

CO2 Beschikbaarheid voor Algen in Woestijn

Voedsel in de woestijn.

Bij een voedselproject in een woestijngebied overweegt men water van grote diepte op te pompen en in bekkens te verzamelen. Dit water bevat veel keukenzout (NaCl). In dit water kan men, eventueel na toevoeging van andere elementen, algen kweken. Algen zijn planten die kunnen dienen als voedsel voor dieren en mensen.
Afhankelijk van de ionensamenstelling van het opgepompte water kunnen bepaalde elementen, zoals fosfor, stikstof en zwavel, beperkend zijn voor de algengroei. Deze elementen moeten dan in een passende verbinding aan het water worden toegevoegd. Koolstof blijkt niet beperkend te zijn voor de algengroei. In het water bestaat de evenwichtsreactie CO2 + H2 O ® H+ + HCO3 - .

Noem twee processen waardoor in deze situatie voldoende CO2 beschikbaar blijft voor de algen.