Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie

Een worteldoorsnede.
Zie figuur B 431 van de bijlage.

De afbeelding stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een jonge wortel van een zaadplant voor. Vier delen zijn aangegeven met P, Q, R en S.
Drie plaatsen in de wortel zijn:

1. het wortelmutsje,
2. het gebied waar de meeste plasmagroei plaatsvindt,
3. het gebied boven de wortelhaarzone.

Op welke van deze plaatsen zal waarschijnlijk de doorsnede uit de afbeelding zijn gemaakt?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Ouderdom van boom.
Zie figuur B 65 van de bijlage.

Iemand wil van een grote omgevallen boom met een holle stam weten hoe oud deze is. Hij overweegt daartoe het volgende te doen:

1. de boom in de lengte doorzagen en de jaarringen op de verkregen lengtedoorsnede tellen,
2. de dikste zijtak op plaats Q doorzagen en de daar aanwezige jaarringen tellen,
3. de omtrek van de stam bij P meten.

Kan hij met behulp van één van deze werkwijzen precies bepalen hoeveel jaar deze boom geleefd heeft?
Zo ja, met welke werkwijze?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dwarsdoorsnede takje.
Zie figuur B 480 van de bijlage.

De afbeelding stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een takje van een lindeboom voor.

Welk cijfer geeft de laatstgevormde bast aan?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dennentak.
Zie figuur B 1115 van de bijlage.

Uit een afgezaagde dennentak wordt een stukje gesneden zoals in tekening 1 van de afbeelding is weergegeven. De structuur van dit stukje is in tekening 2 schematisch getekend.

Is deze tak afgezaagd midden in het voorjaar, aan het begin van de zomer of midden in de winter?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dennentak.
Zie figuur B 1115 van de bijlage.

Uit een afgezaagde dennentak wordt een stukje gesneden zoals in tekening 1 van de afbeelding is weergegeven. De structuur van dit stukje is in tekening 2 schematisch getekend.

Heeft deze tak gedurende 3, 4 of 8 jaar levend aan de dennenboom gezeten?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Jaarringen.
Zie figuur A 167 van de bijlage.

De afbeelding geeft een dwarsdoorsnede van een stuk hout weer. Houtvat P is in 1986 gevormd.

In welk jaargetijde en in welk jaar zijn de houtvaten op plaats Q gevormd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

1/3 Lengtedoorsnede dennentak.
Zie figuur C 16 van de bijlage.

In de afbeelding is tekening 1 een lengtedoorsnede van een deel van het hout van een dennentak uit Nederland. P geeft parenchymcellen in het hout aan.
Tekening 2 is een deel van een dwarsdoorsnede van dezelfde dennentak.
In het hout in tekening 1 zijn drie lijnen getekend: EF, GH en KL.

Welke van deze lijnen geeft de grens weer tussen najaarshout en het hout, dat in het daaropvolgende voorjaar is gevormd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

2/3 Lengtedoorsnede dennentak.
Zie figuur C 16 van de bijlage.

In de afbeelding is tekening 1 een lengtedoorsnede van een deel van het hout van een dennentak uit Nederland. P geeft parenchymcellen in het hout aan.
Tekening 2 is een deel van een dwarsdoorsnede van dezelfde dennentak.
In het hout in tekening 1 zijn drie lijnen getekend: EF, GH en KL.

Bevatten de celwanden op plaats Q in tekening 2 cellulose, houtstof of beide stoffen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

3/3 Lengtedoorsnede dennentak.
Zie figuur C 16 van de bijlage.

In de afbeelding is tekening 1 een lengtedoorsnede van een deel van het hout van een dennentak uit Nederland. P geeft parenchymcellen in het hout aan.
Tekening 2 is een deel van een dwarsdoorsnede van dezelfde dennentak.
In het hout in tekening 1 zijn drie lijnen getekend: EF, GH en KL.
In tekening 2 zijn drie plaatsen aangegeven met X, Y en Z. Op één van deze plaatsen bevinden zich parenchymcellen zoals deze in tekening 1 met P zijn aangegeven.

Op welke van deze plaatsen bevinden zich die parenchymcellen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Groei.
Zie de figuren B 419 en C 45 van de bijlage.

In de afbeelding B 419 zijn schematisch een lengtedoorsnede van een jonge wortel getekend en een dwarsdoorsnede van een jonge tak. De ligging van de delingsweefsels is met een onderbroken lijn aangegeven.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd te tekenen hoe de ligging van het delingsweefsel in deze delen is na een groeiperiode van enkele maanden.
.

Zij tekenen ieder opnieuw de uitgangssituatie en daarnaast de situatie na enkele maanden.
Zie afbeelding C 45.

Welke leerling heeft juiste tekeningen gemaakt?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Een boomdoorsnede.
Zie figuur B 256 van de bijlage.

De tekening stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een boomstam voor.

Bevindt vat P zich dichter bij het centrum van de stam dan vat Q?
Is vat P ouder dan vat Q?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Lengtedoorsnede van deel van stengel.
Zie figuur B 603 van de bijlage.

De tekening stelt een lengtedoorsnede voor van een deel van de stengel van een zaadplant.

Welk cijfer verwijst naar het cambium?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dwarsdoorsnede boomstam.
Zie figuur B 338 van de bijlage.

In een dwarsdoorsnede van een boomstam is het hout dat in een jaar is gevormd, te zien als een jaarring.
Van een boom wordt de stam op de plaatsen 1 en 2 doorgezaagd (zie tekening).

Is het aantal jaarringen op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?
Is de omtrek van de laatstgevormde jaarring op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dwarsdoorsnede takje.
Zie figuur B 358 van de bijlage.

De tekening stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een eikentakje voor.

Welk cijfer geeft het laatst gevormde hout aan?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Houtweefsel.
Zie figuur B 2496 van de bijlage.

De tekening stelt een stukje houtweefsel voor.

Is met de letters P cambium aangegeven?
Komt in het gedeelte tussen de letters Q en R voorjaarshout voor?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Een tak.
Zie figuur B 2355 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een dwarsdoorsnede weer van een tak die in de herfst is afgezaagd.

Met welk cijfer is het deel aangegeven waardoor in de zomer voorafgaand aan deze herfst de grootste hoeveelheid organische stoffen werd vervoerd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Een groeiende wortel.
Zie figuur A 158 van de bijlage.

In de afbeelding is in tekening 1 schematisch een worteltopje weergegeven.
Twee gebieden P en Q zijn met inkt op de wortel gemarkeerd. In tekening 2 is hetzelfde worteltopje weergegeven zoals het er twee dagen later uitziet.
Over dit worteltopje worden drie beweringen gedaan:

1. De afstand tussen P en Q is vooral groter geworden doordat het aantal cellen tussen P en Q is toegenomen.
2. Het gebied Q is vooral groter geworden doordat in dat gebied celstrekking is opgetreden.
3. De wortelharen in tekening 2 zijn dezelfde als de wortelharen in tekening 1.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Wortelgroei.

Een bepaalde meerjarige plant heeft slechts één hoofdwortel, die recht naar beneden groeit. Op een bepaald moment bevinden zich hieraan de wortelharen op 25 cm diepte.
Op hetzelfde moment bevindt zich een litteken aan deze wortel op 5 cm diepte.
Een jaar later bevindt zich het aardoppervlak nog op dezelfde hoogte.

Op welke diepte bevinden zich na dit jaar de wortelharen?
En op welke diepte bevindt zich dan het litteken?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Bladeren van waterranonkel.
Zie figuur B 442 van de bijlage.

Bij de Waterranonkel, een zoetwaterplant, zijn de bladeren onder en boven water verschillend van vorm.
Over het ontstaan van het verschil tussen de bladeren onder en boven water tijdens de groei van deze waterranonkel, worden de volgende beweringen gedaan:

1. het verschil ontstaat door modificatie,
2. het verschil ontstaat door mutatie,
3. het verschil ontstaat door selectie,
4. het verschil ontstaat door verschil in genotype tussen de bladeren onder en boven water.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Boomstammen.
Zie figuur B 1102 van de bijlage.

De stam van de middelste boom op de afbeelding is dunner dan die van de beide andere bomen.

Wat kan de oorzaak of wat kunnen de oorzaken zijn?

afbeeldingafbeelding