Oefentoets Biologie: Chemie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Chemie

Polypeptideketens.

Welk type molecuulbinding is verantwoordelijk voor de hechte structuur van polypeptideketens?

Chemie

Polypeptideketen.

Een polypeptideketen heeft aan het ene uiteinde een NH2 -groep en aan het andere uiteinde een COOH-groep. Er kunnen aan deze keten restgroepen van verschillende aminozuren bevestigd zijn.

Welk karakter heeft deze polypeptideketen als er in deze restgroepen veel NH2 -groepen aanwezig zijn?

Chemie

1/2 Lipolase.
Zie figuur B 5070 van de bijlage.

Het enzym lipolase is afkomstig van een gemodificeerde vorm van de schimmel Aspergillus oryzae. Het enzym kan worden gebruikt in afwasmiddel en waspoeder en verwijdert vlekken van olie, vet en lippenstift.

Geef met behulp van nevenstaande afbeelding aan welke stoffen worden gesplitst door lipolase.
Dat zijn ........................

[invulveld]

afbeeldingafbeelding

Chemie

Lipiden in het membraan.

Welke chemische eigenschap komt voor bij alle soorten lipiden (vetten) in het plasmamembraan?

Chemie

1/2 Mossellijm.

Mosselen plakken zich met een sterke, watervaste lijm in speciale byssusdraden vast aan de zeebodem. Deze lijm berust op de aanwezigheid van een bepaald eiwit.
Door het hoge gehalte aan het aminozuur proline vormt het lijmeiwit geen secundaire structuur.
De peptidebinding van proline is niet draaibaar, de aminogroep zit in een vijfring.

Welk gevolg heeft het ontbreken van een secundaire structuur voor de vorm van het lijmeiwit?

Chemie

2/2 Mossellijm.

In mossellijm komt ook in hoge concentratie het aminozuur dihydroxyfenylalanine (DOPA) voor. Dit zorgt voor de grote kleefkracht.
DOPA ontstaat door een omzetting van het aminozuur tyrosine.

Wat is de naam van het enzym dat tyrosine omzet in DOPA?

[invulveld]

Chemie

Nucleotidefosfaten.

Nucleotidefosfaten kunnen fosfaatgroepen uitwisselen.

Welke van de onderstaande reacties komt normaal gesproken niet voor?

Chemie

Klieren.

Bevinden zich organische stoffen in de afscheidingsproducten van de schildklier, van de speekselklier en/of van de talgklier?

Chemie

Hormonen.
Zie figuur C 362 van de bijlage.

De manier waarop hormonen processen in hun doelwitcellen beïnvloeden hangt samen met de molecuulstructuur van de hormonen. Het hormoon oestradiol hecht aan een receptor in het cytoplasma van de cel, zoals in tekening 1 van de afbeelding is aangegeven.
Het hormoon HCG hecht aan een receptor in het membraan van de cel zoals in tekening 2 van de afbeelding is aangegeven.
Oestradiol kan het celmembraan passeren, HCG niet.

Noem twee kenmerken van het oestradiolmolecuul die membraanpassage mogelijk maken.

afbeeldingafbeelding

Chemie

Insuline.
Zie de figuren B 2456 en A 451 van de bijlage.

In cellen van de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier bevindt zich het pre-pro-insuline. Dit is een eiwit waaruit via pro-insuline insuline wordt gevormd. In figuur B 2456 is dit proces schematisch weergegeven. Figuur A 451 geeft een pro-insulinemolecuul in detail weer. De aminozuren waaruit het pro-insulinemolecuul is samengesteld, zijn met lettercombinaties aangegeven. Een insulinemolecuul bestaat uit 51 aminozuren.

Over de vorming van insuline uit pro-insuline worden twee beweringen gedaan:

1. wanneer een binding tussen de aminozuren arginine (Arg) en glycine (Gly), en de binding tussen de aminozuren alanine (Ala) en arginine (Arg) wordt verbroken, kan insuline uit pro-insuline ontstaan;
2. bij de vorming van insuline uit pro-insuline wordt water verbruikt.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Chemie

De ziekte van Huntington.

Glutamaat is een exciterende neurotransmitter in hersenen en ruggenmerg die kan worden gevormd uit glutamine.
Glutamine wordt onder andere gemaakt door astrocyten. Deze hersencellen hebben vertakkingen die een soort omhulsel om synapsen vormen en die het externe milieu van neuronen onder strikte controle houden.

Op grond waarvan behoort glutamine tot de niet-essentiële aminozuren?