Plantenanatomie en -fysiologie
2/3 Een uienplant.
Zie figuur B 1606 van de bijlage.
Is een ui een bol, een knol of een wortelstok?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4
NVON
cc-by-sa-40
2/3 Een uienplant.
Zie figuur B 1606 van de bijlage.
Is een ui een bol, een knol of een wortelstok?
3/3 Een uienplant.
Zie figuur B 1606 van de bijlage.
Een deel van de uienplant in de afbeelding is aangeduid met cijfer 3.
Wordt in deel 3 koolstofdioxide verbruikt?
En zuurstof?
afbeelding
1/3 Rozen.
Rozen zijn bekende tuinplanten. Rozen worden vermeerderd door een takje met een gewenst kenmerk op een onderstam van een wilde roos te plaatsen.
Is de beschreven vorm van voortplanting geslachtelijk of ongeslachtelijk?
2/3 Rozen.
Rozen hebben veel licht, mineralen (= voedingszouten) en water nodig.
Zijn water, licht en mineralen alleen abiotische factoren, alleen biotische factoren of beide?
3/3 Rozen.
Wortels van rozen dienen onder andere voor de opname van verschillende stoffen uit de bodem. Wortels hebben nog andere functies voor de rozen.
Noem twee van deze functies.
1/2 Waterranonkel.
Zie figuur A 770 van de bijlage.
De waterranonkel is een zoetwaterplant. De bladeren onder water hebben een andere vorm dan de bladeren boven water (zie de afbeelding). Beide typen bladeren zijn groen.
Hebben de beide typen bladeren van één waterranonkelplant hetzelfde fenotype?
En hetzelfde genotype?
afbeelding
2/2 Waterranonkel.
Vindt in de bladeren boven water fotosynthese plaats?
En in de bladeren onder water?
1/2 Zonnedauw.
Zie figuur B 1617 van de bijlage.
Zonnedauw (zie de afbeelding) is een vleesetend plantje met bladgroen. Zonnedauw groeit op voedselarme grond. Het plantje vangt kleine insecten met zijn kleverige blaadjes en verteert deze. De verteringsproducten worden door zonnedauw opgenomen.
Is zonnedauw in staat glucose te produceren?
En cellulose?
afbeelding
2/2 Zonnedauw.
Zie figuur B 1617 van de bijlage.
In de bodem kunnen zowel anorganische als organische stoffen voorkomen.
Welke van deze soorten stoffen neemt zonnedauw met de wortels op?
afbeelding
1/3 Bladeren van bomen.
Bladeren zijn belangrijk voor bomen. Toch laten veel bomen in de herfst hun bladeren vallen.
Voordat een blad valt, wordt op de grens van tak en bladsteel een laagje kurk gevormd. Zo ontstaat er geen open wond.
Waardoor zijn bladeren zo 'belangrijk' voor bomen?
2/3 Bladeren van bomen.
Beschermt het laagje kurk de boom tegen infecties?
En tegen uitdrogen?
afbeelding
3/3 Bladeren van bomen.
Na het vallen van de bladeren kun je op de takken bladlittekens vinden. Zijtakken ontstaan uit knoppen.
Waar bevinden zich de knoppen waaruit die nieuwe zijtakken ontstaan?
1/4 Blad in de herfst.
Zie figuur B 1608 van de bijlage.
In de herfst kan men onder bomen zogenoemde bladskeletten aantreffen. Deze ontstaan als het bladmoes tussen de nerven van een afgevallen blad wegrot. In de afbeelding zijn een levend blad en een bladskelet weergegeven.
Hebben de nerven in het levende blad een steunfunctie?
En hebben ze een transportfunctie?
afbeelding
2/4 Blad in de herfst.
In een wegrottend blad verdwijnt het bladmoes sneller dan het bladskelet. Drie beweringen over de oorzaak hiervan zijn:
1. Het bladmoes lost wel op in water en de nerven lossen niet op.
2. De nerven zijn moeilijker afbreekbaar voor de reducenten dan het bladmoes.
3. Het bladmoes bevat cellen en de nerven bevatten geen cellen.
Welke van deze beweringen is juist?
3/4 Blad in de herfst.
Komen in een levend blad koolhydraten voor?
En mineralen?
En eiwitten?
4/4 Blad in de herfst.
Zie figuur B 1608 van de bijlage.
Welke typen vaten bevinden zich in de nerven van een levend blad zoals weergegeven in de afbeelding?
afbeelding
1/4 Bladeren.
Zie figuur C 133 van de bijlage.
Het blad van een boom heeft een bepaalde opbouw. Aan de boven- en onderzijde wordt het blad beschermd door cellen die als puzzelstukjes op elkaar aansluiten (zie de afbeelding, laag 1 en 4). In dit weefsel bevinden zich vooral aan de onderzijde huidmondjes (P). De huidmondjes staan in verbinding met luchtholten (in laag 3). Boven in het blad (laag 2) liggen de cellen met bladgroen dicht tegen elkaar. Daar vindt de meeste glucoseproductie plaats.
Waardoor zijn de omstandigheden voor glucoseproductie in de bovenste helft van het blad gunstiger dan in de onderste helft?
afbeelding
2/4 Bladeren.
In het blad vindt overdag fotosynthese plaats.
Welke stof gaat daardoor via de huidmondjes het blad in?
3/4 Bladeren.
In het blad vindt overdag fotosynthese plaats.
Welke stof wordt overdag via de huidmondjes door het blad meer opgenomen dan afgestaan?
4/4 Bladeren.
Welke van de volgende beweringen over groene bladeren aan een loofboom is of welke zijn juist?
I. Zowel in het bladmoes als in de nerven bevinden zich grote luchtholten.
II. Veel bladeren hebben aan de onder- en aan de bovenkant op de opperhuid een waslaagje dat de bladeren tegen uitdroging beschermt.