Oefentoets Biologie: Spijsvertering | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

Cholecystokinine.

Indien slijmvliescellen van de twaalfvingerige darm in aanraking komen met voedingsstoffen zoals vetten, produceren ze een stof: cholecystokinine. Indien deze stof cellen van de wand van de galblaas bereikt, trekken de spieren in deze wand zich samen. Op deze wijze wordt er meer gal naar de dunne darm gebracht.

Is cholecystokinine een enzym of een hormoon?
Bereikt deze stof de wand van de galblaas via het bloed of via de galbuis?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Secretine.

Secretine is een hormoon dat in bepaalde cellen in het dekweefsel van het darmkanaal van de mens wordt gevormd, nadat deze cellen in aanraking zijn gekomen met een zure oplossing.
Als secretine de alvleesklier bereikt, gaat deze alvleessap afscheiden.

In welk deel van het darmkanaal wordt de secretine vooral geproduceerd?
Wordt secretine uitsluitend door aders vervoerd, of ook door slagaders?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

Om in een mengsel van water, vet, gal en alvleessap vertering te laten optreden en om vervolgens deze vertering ook aan te kunnen tonen, moet men er voor zorgen dat dit mengsel aan het begin van het experiment een bepaalde pH heeft. Na het experiment zal men dan kunnen waarnemen dat de pH veranderd is.

Welke pH zal het mengsel moeten hebben aan het begin van het experiment en hoe zal de pH veranderd zijn na het experiment?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Vetvertering.

Hieronder is van vier reageerbuizen de inhoud en de temperatuur aangegeven.
afbeeldingafbeelding

De temperaturen worden constant gehouden.
Na 30 minuten bevindt zich in de buizen, behalve alvleessap en gal:
afbeeldingafbeelding

Welke conclusie kan men aan de hand van bovenstaande gegevens trekken?

Spijsvertering

Vetvertering.

In een reageerbuis bevindt zich onder andere water, waarvan de waterstof radio-actief is.
In deze buis wordt vet omgezet in glycerol en vetzuren.

Waarin zal, na de omzetting, de radio-actieve waterstof voorkomen?

Spijsvertering

Vetvertering.

Vier reageerbuizen bevatten elk 10 mL van een mengsel van gal, vetten en water.
De pH van dit mengsel is 8.
Aan deze buizen wordt toegevoegd:

buis 1: enkele druppels speeksel met een pH 8;
buis 2: enkele druppels maagsap met een pH 2;
buis 3: enkele druppels alvleessap met een pH 8;
buis 4: enkele druppels darmsap met een pH 8.

In welke buis zal na 1 uur bij 37°C de pH het laagst zijn?

Spijsvertering

Melk-intolerantie.

Sommige mensen verdragen melk slecht doordat zij het enzym missen dat melksuiker splitst.

Welk orgaan heeft of welke organen hebben bij hen een andere werking dan bij mensen die melk wèl verdragen?

Spijsvertering

Lactase-deficiëntie.

Bij een bepaalde groep volwassenen ontbreekt het vermogen om het enzym lactase te vormen: zij hebben een lactase-deficiëntie.
Lactase wordt geproduceerd door cellen van de wand van de dunne darm en zet de melksuiker (lactose) in het voedsel om in de monosachariden glucose en galactose.
Lactose wordt niet geresorbeerd vanuit de dunne darm en ook niet vanuit de dikke darm.
Een deel van de lactose wordt door darmbacteriën omgezet in gistingsproducten, zoals azijnzuur en melkzuur, die slechts gedeeltelijk worden geresorbeerd.
Wanneer iemand met een lactase-deficiëntie een grote hoeveelheid melk drinkt, krijgt hij een sterk waterige ontlasting.

Beschrijf de processen die in de darm plaatsvinden, waardoor de waterige ontlasting wordt veroorzaakt bij een persoon met lactase-deficiëntie.

Spijsvertering

1/5 Vertering.
Zie figuur B 3901 en figuur B 3902 van de bijlage.

De afbeelding geeft een vereenvoudigd overzicht van de vertering van voedsel en opname van een aantal verteringsproducten in bloed- en lymfevaten. Niet alle namen van voedingsstoffen en hun verteringsproducten zijn ingevuld.
Niet ingevuld zijn onder andere de volgende twaalf namen van voedingsstoffen en verteringsproducten: fructose, galactose, glucose, glycerol, lactose, maltose, monoglyceride, linolzuur, lipiden, palmitinezuur, sacharose en zetmeel.

Geef aan in het schema in de uitwerkbijlage B 3902 waar deze twaalf namen moeten worden ingevuld.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/5 Vertering.

Bij de hydrolyse van peptiden wordt een bepaald type chemische binding verbroken.

Teken de binding die bij deze omzetting wordt verbroken.

Spijsvertering

3/5 Vertering.

Sommige voedingsstoffen worden vanuit de dunne darm eerst in de lymfevaten opgenomen en vervolgens afgevoerd naar de grote bloedsomloop.

In welk van onderstaande bloedvaten worden deze voedingsstoffen het eerst aangetroffen?

Spijsvertering

4/5 Vertering.
Zie figuur B 3903 van de bijlage.

In de afbeelding is een dwarsdoorsnede van een darmvlok getekend. Drie delen zijn met de letters P, Q en R aangeduid.

Wat stellen de letters P, Q en R voor?

afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

5/5 Vertering.

Over het transport van verteringsproducten in darmvlokken worden de volgende beweringen gedaan:

1. de verteringsproducten die in het bloed worden opgenomen, zijn in het algemeen beter oplosbaar in water dan verteringsproducten die in de lymfe worden opgenomen;
2. een deel van de verteringsproducten wordt via diffusie en een deel via actief transport uit dekweefselcellen van de dunne darm in het bloed opgenomen;
3. het al dan niet verzadigd zijn van de vetzuren bepaalt of deze in de lymfe of in het bloed worden opgenomen.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Spijsvertering

1/3 Een alvleeskliercel.
Zie figuur B 2646 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een kliercel uit de alvleesklier afgebeeld. Door dit celtype worden eiwitten, zoals procarboxypeptidasen, lipasen en andere enzymen, gevormd en afgescheiden.

Voorafgaand aan deze secretie vindt een aantal processen plaats. Deze processen zijn in willekeurige volgorde:

1. afscheiding van eiwitrijke producten richting afvoerkanaal;
2. fusie secretiegranulum met het celmembraan;
3. het afsnoeren van onrijpe secretiegranula door het Golgi-systeem;
4. opslag van rijpe secretiegranula;
5. polycondensatie van aminozuren;
6. rijping van secretiegranula door onttrekken van water;
7. transport van de in het ER afgegeven eiwitten naar het Golgi-systeem;
8. vorming van mRNA.

Geef de juiste volgorde waarin de processen 1 tot en met 8 plaatsvinden.

Deze volgorde is [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld] - [invulveld].




-

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/3 Een alvleeskliercel.
Zie figuur B 2654 van de bijlage.

De plaats waar mRNA voor een af te scheiden enzym wordt gevormd is niet dezelfde als de plaats waar dit mRNA werkzaam is.

- Teken in de afbeelding van de alvleeskliercel in de uitwerkbijlage een lijn die de exacte route aangeeft tussen de plaats van vorming van mRNA en een plaats waar het mRNA werkzaam is.
- Geef het begin van deze lijn aan met de letter m.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

3/3 Een alvleeskliercel.

De werking van de eiwitverterende enzymen uit de alvleesklier is zo krachtig, dat deze enzymen de alvleeskliercellen waarin ze worden gevormd, zouden kunnen verteren.

Geef twee manieren waarop in alvleeskliercellen wordt verhinderd dat deze eiwitverterende enzymen de cellen zelf verteren.

Spijsvertering

1/2 De alvleesklier.
Zie figuur B 2284 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de uitmondingen van de afvoergang van de galblaas en van de afvoergang van de alvleesklier in de twaalfvingerige darm getekend.
De pH van alvleessap ligt tussen 8,0 en 8,3; de pH van de inhoud van de dunne darm is lager dan 8,0.

Noem twee oorzaken waardoor de pH in de dunne darm lager is dan de pH van het alvleessap.

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/2 De alvleesklier.

Bij een bepaalde patiënt wordt een grote galsteen gediagnosticeerd.
Door deze galsteen wordt niet alleen de galafvoergang afgesloten, maar wordt ook de afvoergang van de alvleesklier dichtgedrukt.
Hierdoor kan het alvleessap niet voldoende worden afgevoerd.
Als gevolg daarvan volgt een serie van processen die uiteindelijk onder meer leiden tot het ontstaan van diabetes mellitus (= suikerziekte). Deze vorm van diabetes wordt veroorzaakt door een verminderde afgifte van insuline uit de alvleesklier.
Insuline wordt geproduceerd door bepaalde cellen in de alvleesklier.

Leg uit waardoor in deze situatie diabetes mellitus kan ontstaan.

Spijsvertering

1/3 Pancreasenzymen.
Zie figuur C 367 van de bijlage.

De alvleesklier (pancreas) produceert verschillende hydrolytische enzymen.
In de afbeelding is de regulatie van de pancreassapsecretie weergegeven.
Pancreassap bevat naast het onmisbare HCO3 - en actieve enzymen, ook een groot aantal inactieve enzymen.
Van deze pro-enzymen vervult trypsinogeen een sleutelrol.
Zodra trypsinogeen in de twaalfvingerige darm komt, wordt het geactiveerd door het daar aanwezige enteropeptidase.
Het geactiveerde trypsine activeert vervolgens een aantal andere pro-enzymen, zoals chymotrypsinogeen.
Een bestanddeel van pancreassap is HCO3 - .

Welke functie heeft dit bestanddeel in de twaalfvingerige darm?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

2/3 Pancreasenzymen.

Enzymen die in actieve vorm worden geproduceerd in de pancreas zijn onder andere a-amylase en triacylglycerol-lipase. Inactieve enzymen zijn bijvoorbeeld pro-carboxypeptidasen en pro-fosfolipase.

- Leg uit waarom fosfolipase niet in actieve vorm geproduceerd wordt.
- Leg uit waarom dat bij a-amylase wel mogelijk is.