Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie - Kooldioxide/zuurstof | HAVO 4/HAVO 5 | variant 1

Deze oefentoets bevat 15 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Assimilatie_dissimilatie

de O2 -opname en O2 -afgifte van een plant.
Zie figuur B 351 van de bijlage.

Bij een in Nederland groeiende plant met bladgroen wordt in de zomer de O2 -opname en O2 -afgifte gedurende een etmaal gemeten.
De metingen beginnen om 12 uur 's middags en eindigen 24 uur later.

In welk stadium kunnen de resultaten van de metingen zijn weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Een groene plant die geheel onder water leeft.

Men heeft een groene plant die geheel onder water leeft. Men doet hier vier experimenten mee steeds onder andere omstandigheden.

afbeeldingafbeelding

Bij welk(e) experiment(en) wordt zuurstof aan het water afgegeven en wordt energie vastgelegd?

Assimilatie_dissimilatie

de O2 -afgifte en de O2 -opname van een plant.
Zie figuur B 619 van de bijlage.

In het diagram is de O2 -afgifte en de O2 -opname van een plant uitgezet tegen de verlichtingssterkte.

In welk(e) van de aangegeven trajecten 1, 2 of 3 neemt het drooggewicht van de plant toe?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

De zuurstofafgifte of -opname bij toenemende verlichtingssterkte.
Zie figuur B 590 van de bijlage.

Bij een plant met bladgroen werd het verband bepaald tussen de zuurstofafgifte of -opname en de verlichtingssterkte. In het diagram is het resultaat weergegeven.

Treedt in deze plant bij verlichtingssterkte P fotosynthese op?
En dissimilatie?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

De zuurstofafgifte of -opname bij toenemende verlichtingssterkte.
Zie figuur B 572 van de bijlage.

Bij een plant met bladgroen werd het verband bepaald tussen de hoeveelheid afgegeven of opgenomen O2 en de verlichtingssterkte. De resultaten staan in het diagram.

Bij welke van de verlichtingssterkten P, Q en R vindt dissimilatie plaats?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

De zuurstofafgifte of -opname bij toenemende verlichtingssterkte.
Zie figuur B 559 van de bijlage.

Van een plant met bladgroen wordt de zuurstofafgifte of -opname in ml per uur gemeten bij verschillende verlichtingssterkten. De resultaten staan in het diagram. De mate van dissimilatie is constant en onafhankelijk van de verlichtingssterkte.

Hoeveel zuurstof wordt er bij verlichtingssterkte P geproduceerd door de fotosynthese?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

De zuurstofafgifte per tijdseenheid van een zonnebloemplant.
Zie figuur B 550 van de bijlage.

De zuurstofafgifte per tijdseenheid door een hele zonnebloemplant van 20 cm hoogte wordt gemeten bij verschillende verlichtingssterkten. In het diagram van figuur B 550 is het resultaat van deze metingen uitgezet. De metingen worden herhaald als de plant 40 cm hoog is geworden. De omstandigheden zijn gelijk gebleven.

Zie figuur B 551 van de bijlage.

Welk diagram geeft de resultaten bij deze 40 cm hoge zonnebloemplant waarschijnlijk juist weer?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Stofwisselingsprocessen zonder zuurstofverbruik.

Bij levende organismen kunnen onder andere de volgende stofwisselingsprocessen plaatsvinden:

1. fotosynthese;
2. melkzuurgisting;
3. alcoholische gisting.

Bij welk of bij welke van deze processen wordt geen zuurstof verbruikt?

Assimilatie en dissimilatie

1/5 Hogere temperaturen zijn niet altijd gunstig.

De hittegolf van 2003 in Europa heeft de plantengroei ongekend zwaar getroffen. De temperatuur was toen hoger dan gemiddeld en de neerslag was veel minder. Hierdoor is naar schatting de gemiddelde groei in de bossen, op de weiden en het akkerland in Europa zo'n 20 procent achtergebleven bij het gemiddelde over 1960-1990. Het gevolg was dat deze ecosystemen in 2003 netto CO2 afgaven aan de atmosfeer. Ruwweg deed de onverwachte CO2 -productie de CO2 -opname van de vier voorafgaande jaren teniet.

Hoe kan men de jaarlijkse groei van planten in de bossen, op de weilanden en de akkers vaststellen?

Assimilatie en dissimilatie

2/5 Hogere temperaturen zijn niet altijd gunstig.

Welk proces is direct verantwoordelijk voor de productie van CO2 in een ecosysteem?

Assimilatie en dissimilatie

3/5 Hogere temperaturen zijn niet altijd gunstig.

In bovenstaande tekst worden twee abiotische factoren genoemd die invloed uitoefenen op ecosystemen: de temperatuur en de neerslag.

Leg uit dat als de temperatuur hoger wordt en de ander abiotische factoren ongewijzigd blijven, dit kan leiden tot meer CO2 -opname uit de atmosfeer.

Assimilatie en dissimilatie

4/5 Hogere temperaturen zijn niet altijd gunstig.

Onderzoekers menen dat warme zomers, zoals die van 2003, met de daarbij optredende uitstoot van CO2 , de koolstofkringloop verstoren. Aan de andere kant zou de hoge temperatuur de activiteit van reducenten in de bodem verhogen, waardoor daar meer mineralen vrijkomen. De planten zouden hierdoor beter groeien en dus ook meer CO2 uit de atmosfeer binden.
Onderzoekers hebben tussen 1980 en 2000 op bepaalde stukken land de gevolgen onderzocht van een verhoogde activiteit van reducenten bij een temperatuurstijging van de omgeving. Zij bemestten jaarlijks die stukken land met fosfor en stikstof. Na afloop van het hele project onderzochten zij de plantengroei en de bodemsamenstelling en vergeleken die waarden met die van onbemeste stukken land.

Stoffen waarin fosfor en/of stikstof voorkomen zijn:

1. DNA
2. fosfaat
3. nitraat
4. stikstofgas

Welk of welke van deze stoffen heeft men als extra meststof aan de bodem toegevoegd?

Assimilatie en dissimilatie

5/5 Hogere temperaturen zijn niet altijd gunstig.

Aanvankelijk leken de resultaten weinig verrassend. Op de bemeste stukken begonnen struiken en bosjes te groeien. In de strooisellaag stelden de onderzoekers de aanwezigheid van extra organisch materiaal vast: dode bladeren en plantenwortels. Maar ze kwamen er achter dat de onderliggende organische bodemlaag dunner was geworden. In de bodem was de activiteit van de reducenten dus verhoogd.

Leg uit dat deze verhoogde activiteit het bestaande evenwicht in de koolstofkringloop verandert.

Assimilatie_Dissimilatie

Mestvijvers.

Tijdens periode I neemt het zuurstofgehalte sterk af. Verklaringen die hiervoor genoemd worden zijn:

1. de bacteriën gebruiken zuurstof voor de dissimilatie van organische meststoffen;
2. het aantal algen neemt af waardoor de zuurstofproductie daalt;
3. de bacteriën gebruiken anorganische stoffen waardoor er een tekort hieraan voor algen ontstaat.

Welke verklaringen zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_Dissimilatie

Mestvijvers.

In Nederland is sprake van een mestoverschot. Om dat probleem op te lossen heeft een aantal boeren besloten een algenkwekerij te beginnen. In die kwekerij wordt dunne varkensmest gebruikt om algen te laten groeien.
De aangelengde varkensmest in de mestvijver wordt rondgepompt en daardoor belucht. Om duidelijk te maken waarom het belangrijk is dat dit mengsel belucht wordt, formuleren leerlingen twee stellingen:

Stelling 1: 's Nachts dient het mengsel belucht te worden om de bacteriën, die de organische meststoffen omzetten in anorganische meststoffen, zo optimaal mogelijk van zuurstof te voorzien.
Stelling 2: Overdag dient het mengsel belucht te worden om de algen van voldoende CO2 te voorzien. Immers hoe meer CO2 de algen opnemen hoe meer ze produceren.

Welke stelling is of welke stellingen zijn juist?