Oefentoets Biologie: Ecologie - ecosystemen | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

6/6 Grasland-ecosystemen.

De groei of de afname van de grootte van iedere populatie wordt bepaald door een aantal processen.

Noem drie van deze processen waardoor de omvang van een populatie wordt beïnvloed.

Ecologie

1/4 De ontwikkelingen in een loofbos.
Zie figuur A 868 van de bijlage.

Natuurlijke ecosystemen op het noordelijk halfrond zijn onderworpen aan een cyclus van veroudering en verjonging. In een loofbos dat de opbouwfase, stabiele fase en vervalfase doorloopt, veranderen in de loop van de tijd onder andere de primaire productie, de hoeveelheid biomassa die gedissimileerd wordt en de hoeveelheid biomassa die elk jaar wordt toegevoegd. In het afgebeelde diagram is weergegeven, voor een periode van 100 jaar, hoeveel biomassa in een beukenbos in Denemarken jaarlijks geproduceerd werd (BPP = bruto primaire productie) en waarvoor deze biomassa in dat jaar is gebruikt of vastgelegd.

Met welk nummer of met welk samenstel van nummers wordt in het diagram de netto primaire productie weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 De ontwikkelingen in een loofbos.
Zie figuur A 868 van de bijlage.

Op welke leeftijd is, op basis van de gegevens in het diagram, de totale plantenbiomassa in dit bos het hoogst?

Op de leeftijd van [invulveld] jaar

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 De ontwikkelingen in een loofbos.
Zie figuur A 869 van de bijlage.

In een vereenvoudigd schema zijn voorraden en omzettingen in een natuurlijk loofbos, dat in de stabiele fase verkeert, weergeven.

Neem aan dat in de verschillende compartimenten, aangegeven door een rechthoek, de hoeveelheid organische stof gemiddeld constant blijft. Aan de linkerzijde van het schema is verlies van organische stof aangegeven.

Bij welk proces is deze organische stof verloren gegaan?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 De ontwikkelingen in een loofbos.
Zie figuur A 869 van de bijlage.

In een loofbos vinden allerlei omzettingen plaats.

Bij welke omzetting worden stoffen uit het compartiment organische stoffen in bodem' omgezet in stoffen uit het compartiment 'anorganische stoffen in bodem' (zie de afbeelding)?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 De Noordzee.

Allerlei activiteiten en ingrepen van de mens hebben effect op het ecosysteem van de Noordzee. Zo is de aanvoer van zouten toegenomen door de landbouw en als gevolg van lozingen door industrie en mijnbouw. In het voorjaar kan hierdoor een explosieve ontwikkeling van algen (algenbloei) ontstaan.

Noem twee andere activiteiten van de mens die het ecosysteem van de Noordzee negatief kunnen beïnvloeden.
- Geef voor beide activiteiten aan waaruit dat negatieve effect bestaat.

Ecologie

2/4 De Noordzee.
Zie figuur C 356 van de bijlage.

In de Noordzee wordt onderzoek gedaan naar de visstand. Voor het ecosysteem van de Noordzee zijn de energiestromen in kcal per m2 per jaar berekend. Deze gegevens zijn weergegeven in het schema van de afbeelding.

Volgens dit schema wordt de mens onder andere tot het trofische niveau C3 (consument van de 3e orde) gerekend.

Tot welk ander niveau of welke andere niveau's kan de mens volgens het schema van de afbeelding gerekend worden?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 De Noordzee.
Zie figuur C 356 van de bijlage.

Bereken met behulp van de gegevens in dit schema tot op één decimaal nauwkeurig de energie-opname in kcal m-2 j-1 uit dit systeem door de mens op trofisch niveau C3.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 De Noordzee.
Zie figuur C 357 van de bijlage.

Benthos is een verzamelnaam voor bodemdieren. In de afbeelding is een voorbeeld weergegeven van de samenstelling van benthos.

Naar aanleiding van de gegevens van de afbeelding worden de volgende uitspraken gedaan:

1. De grootste aantallen zeekomkommers bevinden zich op 10.000 meter diepte;
2. Op 3500 meter diepte bestaat het grootste deel van de biomassa van het benthos uit Echinodermata;
3. Van de klasse koralen bevinden zich de meeste soorten tussen de 7000 en 8000 meter.

Welke van deze uitspraken is of welke zijn zeker juist op grond van de gegevens in de afbeelding?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 De Noordzee.

In de tekst hieronder worden voedselrelaties beschreven tussen verschillende organismen in de Noordzee.

Meeuwen en scholeksters leven van kleine vissoorten, van larven van allerlei soorten vis en ook van bodemdieren zoals mossels, krabben en oesters. Algen leggen de energie van het zonlicht vast in energierijke organische verbindingen.
De bodemdieren voeden zich met algen, met eencellige dieren (zoöplankton), met jonge visjes of vislarven en met afgestorven planten en dieren uit de waterkolom erboven. Rottingsbacteriën nemen een belangrijk deel van de omzetting van dode organismen voor hun rekening; daarbij komen zouten vrij die algen weer gebruiken. De algen worden voor een deel opgegeten door het zoöplankton. Vrij zwemmende vislarven zijn belangrijke eters van zoöplankton; haring blijft zijn hele leven zoöplankton eten. Larven van schol en tong eten ook zoöplankton, maar voeden zich als ze volwassen zijn met organismen die in of op de bodem leven. Grotere roofvissen zoals kabeljauw en schelvis voeden zich in hun jeugd met bodemdieren, later schakelen ze over op allerlei soorten jonge vis.

bewerkt naar: F. Colijn e.a., In het ruime sop, Natuur & Techniek, augustus 1993, 620-631

Ecologie

2/3 De Noordzee.
Zie figuur B 2990 van de bijlage.

In de uitwerkbijlage is de aanzet tot een model getekend van de voedselrelaties in de Noordzee die in de tekst zijn beschreven. In dit model is voor alle groepen organismen die overeenkomstige niches bezetten, een compartiment getekend. De titels van de compartimenten zijn: consumenten 1e, 2e, 3e orde, reducenten en producenten. Eén van deze titels en één van de pijlen zijn al ingevuld.

Maak het model in de uitwerkbijlage als volgt af:
- Plaats de ontbrekende titels in de overige compartimenten van het model.
- Plaats de namen van de volgende vijf groepen: algen, haringen, rottingsbacteriën, scholeksters en zoöplankton in de juiste compartimenten.
- Verbind de compartimenten met alle voor dit model van de voedselrelaties relevante pijlen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 De Noordzee.

Organismen zoals mossels, krabben en oesters kunnen in het model van de uitwerkbijlage worden opgenomen, maar het is makkelijker om ze in een extra compartiment onder te brengen met de naam 'bodemdieren'.

Welke titel komt het meest in aanmerking voor dit compartiment 'bodemdieren'?

Ecologie

1/3 Plas-dras-omgeving.
Zie figuur B 3935 van de bijlage.

Op vele fronten wordt onderzoek gedaan naar het herstel van natte gebieden die voor bepaalde vissoorten aantrekkelijk zijn. De overgangsgebieden van land en water, zoals geleidelijk aflopende oevers en overstromingsgebieden van rivieren, polders en veenweidegebieden, zijn door ontwatering en peilbeheer vaak droger geworden.
Zulke plas-dras-gebieden zijn voor allerlei vissoorten belangrijk, bijvoorbeeld als paaigebied. Als het waterpeil daalt, komen jonge vissen in de problemen, met name door predatie van visetende vogels als roerdomp en reiger.
In de afbeelding is een plas-dras-gebied getekend. Het afzetten van eitjes komt in het voorjaar in ondiep water eerder op gang dan in de diepere wateren.

Geef hiervoor een verklaring aan de hand van een abiotische milieufactor. Geef hiervoor een verklaring aan de hand van een biotische milieufactor.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Plas-dras-omgeving.
Zie figuur B 3936 van de bijlage.

In het diagram van de afbeelding is het predatierisico van jonge prooivissen weergegeven in relatie tot hun eigen lengte, de waterdiepte en het predatortype.

Een jonge snoek groeit uit van 2 tot 6 cm. Om predatoren te ontlopen moet het visje tijdens de groei steeds de meest veilige diepte opzoeken.

Op welke diepten kan dit visje zich op grond van de gegevens in het diagram het beste ophouden, om tijdens de groei van 2 tot 6 cm predatoren te ontlopen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Plas-dras-omgeving.

In twee laagveenwateren, de Loenderveensche Plas Oost en Terra Nova, werkt Gemeentewaterleidingen Amsterdam aan een herstelplan. Beide wateren kampen met een gering doorzicht, gebrek aan ondergedoken waterplanten en een gering aantal vissoorten. Het geringe doorzicht ontstaat door opgewerveld slib en algen.
Dat slib wervelt op door de wind en door wroetende brasems.
Doordat de brasem veel watervlooien eet, neemt ook de algengroei toe. Dat het water in deze laagveengebieden ooit troebel is geworden, heeft te maken met door de mens veroorzaakte eutrofiëring van het water.

Leg uit hoe eutrofiëring kan leiden tot vermindering van het doorzicht. Leg uit dat beëindiging van eutrofiëring door de mens niet op korte termijn leidt tot verbetering van het doorzicht in deze laagveenwateren.

Ecologie

1/4 Een tropisch regenwoud.
Zie figuur B 1330 van de bijlage.

In een deel van het tropisch regenwoud in het Amazone-gebied in Zuid-Amerika heeft het bos een opbouw in etages zoals in de afbeelding is weergegeven.
Gemiddeld is het oppervlak van een blad van een plant in de onderste etage groter dan dat van een plant in de bovenste etage. De luchtverplaatsing in de onderste etage is zeer gering.

Is de relatieve vochtigheid in de onderste etage lager dan, gelijk aan of groter dan die in de bovenste etage? Leg je antwoord uit met behulp van een toelichting over het tot stand komen van de relatieve vochtigheid in de
etages.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Een tropisch regenwoud.
Zie figuur C 78 van de bijlage.

De bodem van grote delen van het tropisch regenwoud bestaat vooral uit zand.
Aangezien de gemiddelde regenval in deze gebieden zeer groot is, spoelen zouten snel weg uit de bodem. Het verlies aan voor de producenten opneembare stikstofhoudende verbindingen wordt echter gecompenseerd door bepaalde processen in de stikstofkringloop.
Enkele verbindingen in de stikstofkringloop zijn in de afbeelding C 78 aangegeven met cijfers.

Dank zij welk of welke van deze processen vooral wordt het verlies van de genoemde stikstofhoudende verbindingen gecompenseerd?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Een tropisch regenwoud.
Zie figuur B 1411 van de bijlage.

De afbeelding geeft een deel van de energiestromen weer in een tropisch regenwoud. De pijlen geven gemiddelde energiestromen per jaar weer. Er is sprake van een evenwichtssituatie: elk van de energiestromen blijft jaar in jaar uit gelijk.
Over de energiestromen in de afbeelding worden de volgende beweringen gedaan:

1. B1 = B2 + B3
2. B2 = D3 + B3 + O3 + E3 + S3
3. O1 + O2 + O3 + O4 = D1 + D2 + D3 + D4

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Een tropisch regenwoud.

In een regenwoud worden bloemen aangetroffen die een roodbruine kleur hebben en een geur van rottend vlees verspreiden. Bepaalde insecten leggen hun eieren in rottend vlees. Een vrouwelijk insect dat net uit de pop is gekropen en direct daarna gepaard heeft, komt op de geur van zo'n bloem af en loopt erin rond. Zij is op zoek naar rottend vlees om daarin haar eieren te leggen. Zij komt daar uiteraard geen rottend vlees tegen. Wat ze bereikt, is dat ze onder het stuifmeel van de bloem komt te zitten. Uiteindelijk vliegt het insect weg, neemt de geur van een andere bloem van dezelfde soort waar en zoekt daar ook weer tevergeefs naar rottend vlees. Dit kan zich meerdere keren herhalen.

Wat is de prikkel voor het gedrag van het insect en wat is de motiverende factor die het gedrag veroorzaakt?

Ecologie

1/11 In sloot en plas.
Zie figuur C 186 van de bijlage.

Ondergedoken waterplanten die in sloten en plassen leven, zijn aangepast aan het milieu onder water. Dit is onder meer te zien aan de bouw van de bladeren van ondergedoken waterplanten. In de afbeelding zijn vier dwarsdoorsneden van bladeren van verschillende soorten planten gegeven. De planten zijn in willekeurige volgorde: een ondergedoken waterplant, een naaldboom, een grassoort en een uitheemse soort.

Welk van deze bladeren is het blad van een ondergedoken waterplant?
Noem twee kenmerken van de bouw van het blad waaraan je dat kunt zien.

afbeeldingafbeelding