Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie | VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 9

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Assimilatie_dissimilatie

1/4 Een kamerplant.

Een kamerplant met groene bladeren staat overdag op de vensterbank in de zon.
's Nachts staat hij in het donker.
Nadat deze plant zes uur in de zon heeft gestaan, wordt een blad met jodium onderzocht op de aanwezigheid van zetmeel.

Welke kleur krijgt dit blad dan?

Assimilatie_dissimilatie

2/4 Een kamerplant.

Wordt in cellen met bladgroen van deze plant in het licht glucose gevormd?
En wordt er glucose verbruikt?

Assimilatie_dissimilatie

3/4 Een kamerplant.

Welk gas wordt door de bladeren van deze plant in het donker opgenomen?

Assimilatie_dissimilatie

4/4 Een kamerplant.

In deze plant wordt een stof gevormd die met behulp van kalkwater kan worden aangetoond.

Welke stof is dit?

Assimilatie_dissimilatie

1/2 Koolstofdioxide in organismen.
Zie figuur B 2075 van de bijlage.

De afbeelding geeft vier organismen weer.

Welk van de organismen in de afbeelding kan bij de stofwisseling koolstofdioxide verbruiken?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/2 Koolstofdioxide in organismen.
Zie figuur B 2075 van de bijlage.

Welke van de organismen in de afbeelding kunnen bij de stofwisseling koolstofdioxide produceren?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

1/2 Koolstofdioxide in oceanen.

De laatste eeuw is de productie van koolstofdioxide geweldig toegenomen. Oceanen nemen ongeveer een derde deel van dit gas op. Een deel van een oceaan dat veel algen bevat, neemt meer koolstofdioxide op dan een deel met weinig algen.

Geef voor deze grotere opname een verklaring.

Assimilatie_dissimilatie

2/2 Koolstofdioxide in oceanen.

Onderzoekers hebben berekend dat tot 1780 de productie van koolstofdioxide gelijk was aan de koolstofdioxide-opname door de oceanen. Tegenwoordig wordt er meer koolstofdioxide geproduceerd dan de oceanen aankunnen.

Noem twee voorbeelden van menselijke activiteit waardoor de productie van koolstofdioxide tegenwoordig groter is.

Assimilatie_dissimilatie

1/2 Koolstofdioxide.
Zie figuur B 3353 van de bijlage.

Voor een experiment worden twee even grote bladeren van dezelfde plant in twee potten gedaan (zie de afbeelding 1). Pot P wordt in het licht geplaatst, pot Q in het donker. De overige omstandigheden zijn gelijk.

Zie figuur B 3858 van de bijlage.

Op een aantal tijdstippen wordt de hoeveelheid koolstofdioxide in beide potten gemeten. De metingen van pot P worden uitgezet in een diagram. In de afbeelding zijn drie diagrammen weergegeven.

Welk diagram geeft het verloop van de hoeveelheid koolstofdioxide in pot P juist weer? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/2 Koolstofdioxide.
Zie figuur A 878 van de bijlage.

Op de uitwerkbijlage staat een stuk grafiekpapier met een assenstelsel afgebeeld. Punt R geeft de hoeveelheid koolstofdioxide weer in pot Q aan het begin van het experiment.

Teken vanuit punt R een lijn die het verloop van de hoeveelheid koolstofdioxide in pot Q aangeeft tijdens het experiment. Gebruik het assenstelsel op de uitwerkbijlage.

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

1/4 Een paardenbloem.
Zie figuur B 1535 van de bijlage.

In de afbeelding is een paardenbloem weergegeven. Twee processen in een paardenbloem, 's morgens rond elf uur in de maand mei, zijn:

1. glucose maken uit andere stoffen,
2. andere stoffen maken uit glucose.

Ontstaat bij één van deze processen zuurstof?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/4 Een paardenbloem.

Welke van de volgende beweringen over de fotosynthese en de verbranding in deze paardenbloem is of welke zijn juist?

1. De paardenbloem produceert in het zonlicht meer koolstofdioxide dan zij zelf verbruikt.
2. De paardenbloem produceert in het zonlicht minder zuurstof dan zij zelf verbruikt.

Assimilatie_dissimilatie

3/4 Een paardenbloem.

Welke van de volgende beweringen over glucose in een blad van een paardenbloem, om 11 uur 's morgens, is of zijn juist?

I. Glucose wordt gevormd uit anorganische stoffen.
II. Glucose wordt omgezet in anorganische stoffen.

Assimilatie_dissimilatie

4/4 Een paardenbloem.

In glucose komt onder andere het element koolstof voor.

Waar haalt de paardenbloem deze koolstof vandaan?

Assimilatie_dissimilatie

Pantoffeldiertje.
Zie figuur B 3539 van de bijlage.

Het komt voor dat in bepaalde organismen andere organismen leven. In sommige eencellige diertjes zoals het pantoffeldiertje (zie de afbeelding), kunnen bijvoorbeeld groenwiertjes voorkomen. Deze wiertjes bezitten bladgroen en onttrekken bepaalde stoffen (1) aan het pantoffeldiertje. De wiertjes gebruiken deze stoffen voor hun fotosynthese. Het pantoffeldiertje krijgt op zijn beurt bepaalde stoffen (2) van de wiertjes.

Antwoord met juist of onjuist.
In het groenwiertje wordt energie vrijgemaakt door verbranding. [invulveld]

In het pantoffeldiertje wordt energie vrijgemaakt door verbranding. [invulveld]

Met de 'bepaalde stoffen (1)' , die in de tekst worden genoemd, worden water en zuurstof bedoeld. [invulveld]

Met de 'bepaalde stoffen (2)', die in de tekst worden genoemd, worden glucose en zuurstof bedoeld. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

1/3 Petunia's.
Zie figuur B 3324 van de bijlage.

Een petunia is een sierplant die vaak in tuinen en op balkons te zien is. Een onderzoekster doet een kruisingsexperiment met petuniaplanten. Ze heeft hierbij planten met normaal groene bladeren tot haar beschikking, maar ook planten met bleekgroene bladeren.
De onderzoekster brengt stuifmeel van een normaal groene plant op stempels van dezelfde plant. Dit wordt zelfbestuiving genoemd. Onder de nakomelingen uit deze kruising komen zowel normaal groene als bleekgroene planten voor.
Het valt de onderzoekster op, dat de normaal groene planten veel beter groeien dan de bleekgroene. Ze bekijkt bladcellen van beide typen planten door een microscoop. Ze ziet dat cellen van de bleekgroene bladeren veel minder bladgroenkorrels bevatten dan die van normaal groene bladeren.

In welk deel van een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/3 Petunia's.

Leg uit waardoor de planten met cellen met veel bladgroenkorrels beter groeien dan de planten met cellen met weinig bladgroenkorrels.

Assimilatie_dissimilatie

3/3 Petunia's.

Een petunia met normaal groene bladeren en één met bleekgroene bladeren worden naast elkaar voor het raam in de zon gezet.

Wordt in de genoemde bladcellen van deze twee planten zuurstof geproduceerd?
En wordt in de genoemde bladcellen van deze twee planten koolstofdioxide geproduceerd?

In de genoemde bladcellen van normaal groene planten wel/geen [invulveld] productie van zuurstof.
In de genoemde bladcellen van normaal groene planten wel/geen [invulveld] productie van koolstofdioxide.
In de genoemde bladcellen van bleekgroene planten wel/geen [invulveld] productie van zuurstof.
In de genoemde bladcellen van bleekgroene planten wel/geen [invulveld] productie van koolstofdioxide.

Assimilatie_dissimilatie

Plantenproef.
Zie figuur B 2026 van de bijlage.

Een bepaalde kamerplant heeft lange bladeren waarin afwisselend groene en witte banen voorkomen (zie de afbeelding). Men zet nu één zo'n kamerplant 48 uur in het licht en een gelijk exemplaar 48 uur in het donker. Beide planten staan bij 20°C.
Na deze 48 uur neemt men van beide planten een blad. Met een jodiumoplossing onderzoekt men beide bladeren op de aanwezigheid van zetmeel. Het blad uit het licht vertoont lichtbruine en blauwe banen, het blad uit het donker is geheel lichtbruin gekleurd.

Zie figuur B 2027 van de bijlage.

Dit resultaat is in de afbeelding B 2027 weergegeven.

Enkele leerlingen die deze proef hebben gezien, schrijven hun conclusie uit deze proef op.
De conclusies zijn (antwoord met juist of onjuist):

1. Voor de vorming van zetmeel is bladgroen nodig. [invulveld]

2. Voor de vorming van zetmeel is licht nodig. [invulveld]

3. In het licht is zuurstof geproduceerd in de witte delen van het blad. [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Plantenproef.

In een afgesloten, met lucht gevulde ruimte staat een plant. Deze plant beschikt in voldoende mate over koolstofdioxide water en zuurstof. Na enige tijd blijkt de plant meer glucose en zetmeel te bevatten dan daarvoor.

Antwoord met juist of onjuist.

1. In de afgesloten ruimte is de hoeveelheid koolstofdioxide zeker ook toegenomen. [invulveld]

2. In de afgesloten ruimte is de hoeveelheid water zeker ook toegenomen. [invulveld]

3. In de afgesloten ruimte is de hoeveelheid zuurstof zeker ook toegenomen. [invulveld]