Ecologie
10/13 De leuke tegen de leukste.
Stel dat jij Vigfusdottir zou zijn. Je krijgt de opdracht om je standpunt te verdedigen, maar je te verplaatsen naar het niveau van Asgeirdottir.
Wat moet je dan zeggen?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
10/13 De leuke tegen de leukste.
Stel dat jij Vigfusdottir zou zijn. Je krijgt de opdracht om je standpunt te verdedigen, maar je te verplaatsen naar het niveau van Asgeirdottir.
Wat moet je dan zeggen?
11/13 De leuke tegen de leukste.
Welke invloed heeft het op de discussie die in de tekst op het informatiescherm aan de orde is, dat de argumenten niet allemaal op hetzelfde organisatieniveau spelen?
12/13 De leuke tegen de leukste.
Noem een voordeel van het bouwen en doorrekenen van een computermodel over het beheer van papegaaiduikers, waarin de variabelen jacht, aantal konijnen en aantal beschikbare holen zijn opgenomen.
13/13 De leuke tegen de leukste.
Leg uit voor welke groep (rond Sigurdsson, Asgeirdottir of Vigfusdottir) het bouwen en laten doorrekenen van een computermodel vrijwel zeker geen verandering zal veroorzaken in hun standpunt.
Kritische vogelsoort.
Zie figuur A 1173 van de bijlage.
Bekijk het staafdiagram hiernaast.
Welke vogel is het meest kritisch t.o.v. abiotische milieufactoren in dit poldergebied?
afbeelding
Organismen in een meer.
Hoe wordt de verzameling van alle organismen in een meer genoemd?
1/3 Ecologie.
Wat omschrijft het beste het begrip ecologie?
2/3 Ecologie.
Orden de dieren naar hun plek in de voedselketen.
De hoogste in de voedselketen dient het hoogst geplaatst te worden (bij nummer 1).
3/3 Ecologie.
Wat is een mogelijk gevolg of wat zijn mogelijke gevolgen van het introduceren van een tot dan toe onbekende soort - exoot - in een ecosysteem?
1/2 Kikkers.
Uit een opgejaagde kikkerpopulatie vangt men 52 dieren. Deze dieren krijgen een dun elastisch ringetje om een poot. Vervolgens worden ze weer losgelaten in de populatie. Na een week vangt men op dezelfde wijze opnieuw kikkers: 43 dieren. Daarvan blijken er 13 geringd te zijn.
Bereken de populatiegrootte.
1/3 Wisteria.
Zie figuur B 5311 van de bijlage.
Kate en Pippa Middeleton worden wel The Wisteria Sisters genoemd, naar de Wisteria-slingerplant (blauwe regen) die zeer decoratief is, uiterst welriekend en vooral de neiging heeft heel hoog te klimmen.
Is een plant die hoog klimt een zonneplant of een schaduwplant?
Leg je antwoord uit.
afbeelding
2/3 Wisteria.
Planten van het geslacht Wisteria horen bij de vlinderbloemigen. Die leven vaak in symbiose met bepaalde bodembacteriën.
Wat is het nut van die symbiose voor de vlinderbloemige planten?
3/3 Wisteria.
De bloemen van Wisteria zijn meestal blauwpaars, maar soms ook rose of wit.
Dat heeft te maken met de aanwezigheid van anthocyaan in de bloemen.
Een bepaald gen heeft twee allelen, A en a. A zorgt voor anthocyaan, planten met aa hebben deze kleurstof niet.
Een ander gen heeft ook twee allelen, B en b. B zorgt voor een basische pH, waardoor anthocyaan blauwpaars wordt. Planten met bb hebben een zure pH, dan is anthocyaan rose.
Een Wisteria met het genotype AABB wordt gekruist met een plant met het genotype aabb.
Na onderlinge kruising van de F1
ontstaat een groot aantal F2
-planten.
Geef de fenotypen en de verhoudingen daarvan in de F2
. Laat zien hoe je aan die verhoudingen komt.
Koolstofdioxide in een sparrenbos.
Vlak boven de grond is de CO2
-concentratie gemiddeld het grootst. Dit komt mede doordat organismen of delen van organismen in de bodem CO2
produceren. Organismen kunnen worden ingedeeld in drie groepen: consumenten, producenten en reducenten.
Tot welke van deze groepen behoren de organismen die in de bodem CO2
produceren?
Hogere temperaturen zijn niet altijd gunstig.
De hittegolf van 2003 in Europa heeft de plantengroei ongekend zwaar getroffen. De temperatuur was toen hoger dan gemiddeld en de neerslag was veel minder. Hierdoor is naar schatting de gemiddelde groei in de bossen, op de weiden en het akkerland in Europa zo'n 20 procent achtergebleven bij het gemiddelde over 1960-1990. Het gevolg was dat deze ecosystemen in 2003 netto CO2
afgaven aan de atmosfeer. Ruwweg deed de onverwachte CO2
-productie de CO2
-opname van de vier voorafgaande jaren teniet.
Hoe kan men de jaarlijkse groei van planten in de bossen, op de weilanden en de akkers vaststellen?
Hormonen in UV-filters.
Zonnebrandmiddelen beschermen tegen verbranding van de huid en ook tegen het ontstaan van huidkanker. Stoffen in deze middelen houden UV-straling tegen zodat deze de huid niet of nauwelijks kan bereiken. Deze smeersels werken dus als UV-filter. In 2001 ontstond rumoer over het gebruik van deze UV-filters vanwege hun mogelijk oestrogene eigenschappen. Een Zwitsers onderzoek was hiervan de aanleiding.
In de Meerfelder Maar, een meertje in de Duitse Eifel, troffen onderzoekers sporen van de UV-filters in het vetweefsel van vissen aan.
Om de effecten van UV-filters na te gaan, werd een aantal onderzoeken uitgevoerd.
In onderzoek 1 werden gekweekte menselijke borstkankercellen blootgesteld aan een UV-filter. Het is bekend dat borstkankercellen zich sneller delen als ze aan oestrogeen worden blootgesteld.
UV-filters vertonen pas effect bij extreem hoge concentraties: een miljoen maal hoger dan de oestrogeenconcentratie met dat effect. Voor sommige onderzoekers betekent dit dat er geen reden is tot ongerustheid. Andere onderzoekers stellen dat via het voedsel mensen toch aan hogere concentraties kunnen komen bloot te staan.
Leg uit hoe mensen via de voedselketen aan zo'n verhoogde concentratie UV-filter kunnen komen.
4/6 Microbiologische ontdekkingen.
Rond 1980 werden extremofiele bacteriën ontdekt. Dat zijn soorten die goed groeien onder extreme omstandigheden zoals barre kou, grote hitte of in sterk zure, basische of zoute milieus.
Lake Magadi is een meer in tropisch Afrika dat erg basisch is door de aanwezigheid van carbonaten. Bovendien is het water nogal zout. Desondanks komt in dit tamelijk extreme milieu een zeer rijke verzameling autotrofe en heterotrofe bacteriën voor. Hiertoe behoren onder meer autotrofe bacteriën van het geslacht Spirulina. Deze bacteriën hebben een kleurstof (pigment) in hun cel. Heterotrofe bacteriën bezitten dergelijke pigmenten niet.
Noem, afgezien van water, carbonaten en zout, nog twee abiotische factoren die in dit gebied verantwoordelijk kunnen zijn voor deze verrassende rijkdom.