Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | VWO 1/VWO 2/VWO 3 - variant 1

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag bij dieren

Feiten en meningen over katten.

Hieronder staan twee beweringen.

1. Katten op een flat houden als huisdier is zielig, want ze moeten naar buiten kunnen.
2. Katten horen niet thuis op een flat.

Welk van deze beweringen is of welke beweringen zijn een feit?

Gedrag bij dieren

Oorzaken van gedrag.

Hieronder staan twee beweringen:

1. Gedrag van mensen is volledig bepaald door psychologische en sociaal-culturele oorzaken.
2. Gedrag van mensen wordt voor een gedeelte bepaald door biologische oorzaken.

Welk van beide beweringen is of welke zijn juist?

Gedrag bij dieren

De bel gaat.

Wanneer aan het eind van de les de bel gaat, klappen veel leerlingen meteen hun boek dicht.

Je kunt dit gedrag een voorbeeld noemen van

Gedrag bij dieren

1/2 Gedragingen.

Wat zijn de belangrijkste drijfveren voor een dier om een bepaald gedrag te vertonen?

Gedrag bij dieren

Grutto's.

Bij grutto’s leidt succesvol territoriumgedrag tot veel nakomelingen.
Hierna staan drie verklaringen voor het verschijnsel dat het hebben van een groot territorium bijdraagt tot het voortplantingssucces van een grutto.

1. Een groot territorium geeft meer kans op het vinden van een partner.
2. Een groot territorium leidt tot een grotere overlevingskans van de nakomelingen, doordat er een grote hoeveelheid voedsel beschikbaar is.
3. In een groot territorium is er een kleinere kans dat een nest wordt verstoord door soortgenoten.

Welke van deze verklaringen is (zijn) juist?

Gedrag bij dieren

Koolmezen.
Zie figuur B 5399 van de bijlage.

Niet alleen mensen hebben last van omgevingslawaai, het hindert ook zangvogels.
Koolmezen passen hun lied aan in de stad. De herrie die mensen produceren benadeelt dieren die klank gebruiken om een partner te lokken of hun territorium te verdedigen.
In een rustige omgeving heerst een achtergrondlawaai van 42 decibel, vergelijkbaar met geroezemoes in een klaslokaal. De zwaarst belaste mannetjes hadden gemiddeld 63 decibel te
verduren, dit is meer dan vliegtuigen mogen produceren rond Schiphol.
Bekend is dat als koolmezen hun wijsje leren, de buren daar een sterke invloed op hebben.

Op welke manier zal de zang van koolmezen die in een drukke stad leven afwijken van de zang van koolmezen uit rustige dorpen?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Coping strategieën.

Bij veel verschillende soorten gewervelde dieren is onderzoek gedaan naar zogenaamde coping strategieën. Een coping strategie is de manier waarop een dier (of mens) omgaat met omgevingsstress. Er worden actieve en passieve copers onderscheiden. Een actieve coper gaat op een actieve manier op met omgevingsstress. Hij is agressief naar soortgenoten en zal zijn omgeving actief verkennen als er veranderingen in zijn ontstaan. Een passieve coper gaat op een passieve manier om met omgevingsstress. Hij is niet agressief naar soortgenoten en zal niet snel een vreemde omgeving verkennen.
Twee mannetjesmuizen worden bij een mannelijke soortgenoot gezet. Muis 1 valt hem meteen aan. Muis 2 kruipt weg in een hoekje en reageert onderdanig wanneer hij benaderd wordt. Vervolgens worden beide muizen (na elkaar, niet tegelijk) in een voor hen vreemde doolhof gezet. Aan het eind van de doolhof is iets eten te vinden.

Wie zal het eerst het eten gevonden hebben?

Gedrag bij dieren

1/2 De koekoek en de karekiet.
Zie figuur B 5400 van de bijlage.

Het koekoeksvrouwtje legt haar ei in het nest van de kleine karekiet.
Als het koekoeksjong uitgevlogen is, eet het onder andere grote harige rupsen. Door andere vogels
worden deze rupsen niet gegeten. Ze vinden ze kennelijk niet lekker.
De koekoek eet deze harige rupsen wel. Voordat hij de rups in zijn geheel doorslikt, kneust hij de rups eerst, al persend met zijn snavel. Daarna schudt de Koekoek de rups krachtig heen en weer waarna hij de rups opeet.

Wat kun je over dit eetgedrag van de koekoek zeggen?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

2/2 De koekoek en de karekiet.

Wat is hoogstwaarschijnlijk de reden waarom de Koekoek de rups eerst kneust en krachtig schudt, voordat de rups opgegeten wordt?

Gedrag bij dieren

Bijengedrag.
Zie figuur B 5401 van de bijlage.

Vier leerlingen doen een proefje met bijen.
Ze hebben vijf genummerde schaaltjes.
Schaaltje 1 t/m 4 bevatten water, in schaaltje 5 zit suikerwater.
Ieder schaaltje staat op een kartonnetje.
De kleur van de kartonnetjes en de nummers van de schaaltjes staan in de tekening.
De meeste bijen vlogen naar schaaltje nr 5 met suikerwater op het blauwe kartonnetje. De andere kartonnetjes met alleen schaaltjes water erop werden nauwelijks bezocht.
Ieder van de leerlingen trok een conclusie.
Hans: Deze proef bewijst dat bijen de kleur blauw kunnen onderscheiden, want de bijen vlogen naar schaaltje 5.
Stef: Om zeker te zijn dat bijen de kleur blauw kunnen onderscheiden moet je het schaaltje met suikerwater ook één voor één op de plaatsen 1 t/m 4 aanbieden en kijken wat de bijen doen.
Bart: Deze proef bewijst dat de bijen suikerwater kunnen onderscheiden, want de bijen vlogen naar schaaltje 5.
Jos: Om zeker te zijn dat de bijen suikerwater kunnen onderscheiden, moet je het schaaltje met suikerwater ook één voor één op de plaatsen 1 t/m 4 aanbieden en kijken wat de bijen doen.

Wie van deze leerlingen trekt of wie trekken een juiste conclusie?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

Jagers.
Zie figuur B 5402 van de bijlage.

Hyenahonden jagen in groepen op Thomsongazellen. Een onderzoeker ging na hoe vaak de honden succes bij de jacht hadden. Er bleek verschil te zijn bij het jagen op volwassen gazellen, op halfvolgroeide gazellen en op jonge kalfjes. Zie het nevenstaande diagram: boven iedere staafkolom staat hoe vaak er op een van de drie typen gazellen werd gejaagd.
Verticaal is in % uitgezet hoe vaak de jacht succesvol was.

Kun je uit het diagram afleiden wat de meest gegeten prooi was?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

1/2 Kikkers.
Zie figuur B 5403 van de bijlage.

In het voorjaar komen grote groepen groene kikkermannetjes bij elkaar die twee keer per dag, ’s morgens en ’s avonds, oorverdovend kwaken. Dit zijn de 'kikkerkoren'.
Voorbeelden van soorten gedrag zijn: balts en territoriumgedrag.

Tot welk soort gedrag behoort het kwaken van kikkers in kikkerkoren?

afbeeldingafbeelding

Gedrag bij dieren

2/2 Kikkers.

Kikkereieren bevinden zich in kikkerdril en zit vast tussen drijvende planten.
De eieren worden zowel door vissen (vanuit het water) als door vogels (vanuit de lucht) als voedsel gebruikt. Deze eieren vallen niet al te zeer op in hun milieu: sloten met een vaak modderige bodem.

Leid uit deze informatie af door welke schutkleur of schutkleuren de eieren van kikkers zo min mogelijk opvallen.

Gedrag bij dieren

Vlinders.

Vlinders lokken elkaar om te paren met de dans van hun vleugels.
Na de paring gaan de vrouwtjesvlinders eieren leggen.
Koolwitjes doen dat steeds in kleine hoeveelheden, verspreid over een (groot) aantal planten. Ze legt alleen op koolbladeren waar nog geen andere koolwiteitjes op zitten. Die eitjes geven namelijk een waarschuwend geurtje af.

Wat is de reden of wat zijn de redenen dat ze willen voorkomen dat er veel eitjes op die ene plant terechtkomen?

Gedrag bij dieren

Leervermogen.

Jonge dieren moeten leren hoe ze hun voedsel het beste kunnen zoeken.
Dit aanleren van voedselzoekgedrag verschilt per soort.
Maar binnen een soort is er ook verschil in dit leervermogen.

Wat geldt voor het aanleren van voedselzoekgedrag bij honden en katten?

Gedrag bij dieren

Spinnen.

In de herfst zijn spinnen op hun dikst, want zij hebben de hele zomer lang vliegen en muggen kunnen vangen. Voor hen is de herfst de tijd om voor nakomelingen te zorgen.
Dikke spinnenvrouwtjes krijgen bezoek van mannetjes die wel drie keer zo klein zijn en die de paring niet overleven, omdat zij erna opgegeten worden door de vrouwtjesspin.

Hoe komt het dat dit gedrag (opeten van de mannetjes na de paring) blijft bestaan?
Geef van de volgende redeneringen welke juist is of zijn.

Gedrag bij dieren

Gifslang.

De Japanse waterslang Rhabdophis tigrinus heeft niet alleen gifklieren in zijn bek, maar ook nog in zijn nek.
Hij schrikt zijn aanvallers af door hen met dit gif uit zijn nek te besproeien.
Soms hoeft hij alleen maar te dreigen met zijn nekklieren. De nekklieren van deze slang zijn niet in staat zelf gifstoffen aan te maken.
Hoe meer giftige padden de slang eet, des te meer gif bevatten zijn nekklieren.

Uit welke waarneming(en) aan het gedrag van de slang kun je aflezen of de slang met gif bewapend is?

1. Slangen zonder gif dreigen minder vaak met hun nekklieren dan slangen die wel gif in hun nekklieren hebben.
2. Slangen zonder gif vluchten vaker voor een aanvaller dan soortgenoten die wel giftige padden hebben gegeten.
3. Slangen met gif dreigen minder vaak met hun nekklieren dan slangen die geen gif in hun nekklieren hebben.

Gedrag bij dieren

De rupsendoder.

De rupsendoder is een insectensoort. Een vrouwtje zoekt een rups en verlamt deze door een steek met haar angel. Zij sleept de rups daarna naar haar nest.
Bij het nest legt ze de rups neer om het nest te kunnen inspecteren. Dan wordt de rups in het nest gesleept en legt het vrouwtje een eitje in het verlamde dier.
Het nest wordt afgesloten met zand of steentjes.
Als iemand de rups tijdens de inspectie van het nest weghaalt en op enige afstand neerlegt, haalt de rupsendoder de rups weer op.
Bij het nest legt ze de rups weer neer en inspecteert opnieuw het nest.
Wanneer de rups weer wordt weggehaald en op enige afstand neergelegd, heeft dit in eerste instantie geen invloed op de handelingen van de rupsendoder. Maar als dit vaker gebeurt, slaat het vrouwtje de inspectie over en legt de rups direct in het nest.

Waarvan is het achterwege blijven van de inspectie het gevolg?