Oefentoets Biologie: Ecologie - symbiose | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 29 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

29

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Relaties in een ecosysteem.
Zie figuur C 275 van de bijlage.

Relaties tussen soorten binnen een ecosysteem zijn competitie (= concurrentie), commensalisme, mutualisme, parasitisme en predatie. De grenzen tussen de verschillende relatievormen zijn niet altijd duidelijk te trekken. De afbeelding laat een relatie zien tussen twee soorten in een ecosysteem.

Voor welke van de genoemde relatievormen laat de afbeelding zien dat de grenzen niet altijd nauwkeurig zijn aan te geven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Mieren en acacia's.
Zie figuur B 3823 van de bijlage.

In Midden-Amerika komen mieren voor die leven op en van acaciastruiken, zoals Acacia collinsii. Mieren van de soort Pseudomyrmex ferrugineus zijn zéér agressief en vallen alle organismen aan die het hebben voorzien op ‘hun' acaciastruik. Deze mieren nestelen in holten in dorens en halen al hun voedsel uit deze ene struik: ze gebruiken stoffen uit de nectarklieren die zich op de bladstelen bevinden en uit de voedselrijke bolletjes die aan de toppen van de jonge bladeren zitten (zie afbeelding).

Hoe wordt de symbiose tussen mieren van de soort Pseudomyrmex ferrugineus en de struik Acacia collinsii genoemd? [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Mieren en acacia's.
Zie figuur C 350 van de bijlage.

Het gehalte aan bepaalde voedingsstoffen in voedselbolletjes van twee acaciasoorten, A. hindsii en A. collinsii, is onderzocht. Ook werd het gehalte van deze voedingsstoffen in de bladeren van deze acaciastruiken bepaald.
De resultaten zijn weergegeven in de afgebeelde diagrammen.

Er is een verschil tussen het gehalte aan voedingsstoffen in de voedselbolletjes en het gehalte van deze voedingsstoffen in de bladeren van A. hindsii.

Leg uit dat dit verschil eventuele vraatschade door insecten kan voorkomen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Mieren en acacia's.
Zie figuur C 350 van de bijlage.

Uit de twee diagrammen kan niet de conclusie worden getrokken dat A. hindsii meer energie investeert in zijn relatie met de Pseudomyrmex mieren dan A. collinsii.

Geef hiervoor twee argumenten.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Mieren en acacia's.

De acacia A. mayana, die over nectarklieren en over voedselbolletjes beschikt, wordt niet alleen bewoond door P. ferrugineus, maar ook door een andere mierensoort Camponotus planatus. De relatie van C. planatus met A. mayana is anders dan die van P. ferrugineus met deze acacia.

Hieronder worden enkele waarnemingen genoemd, met betrekking tot de twee mierensoorten die leven op dezelfde A. mayana struik.

1. P. ferrugineus verwijdert larven van andere plantenetende insectensoorten, behalve die van C. planatus.
2. C. planatus verdringt overdag P. ferrugineus bij de nectarklieren, 's nachts trekt C. planatus zich terug.
3. P. ferrugineus gebruikt ter verdediging vooral zijn steekapparaat, C. planatus zet tegen verdediging vooral chemische stoffen in.

Welke van deze waarnemingen ondersteunen de bewering dat C. planatus profiteert van de relatie tussen de acacia en P. ferrugineus?

Ecologie

Korstmos.

Een korstmos bestaat uit twee verschillende typen organismen: een alg en een schimmel.
Korstmossen kunnen onder extreme omstandigheden leven: ze zijn bijvoorbeeld goed bestand tegen extreme koude en droogte.
In een experiment laat men een korstmos groeien op een suikeroplossing. De schimmeldraden blijken dan te groeien, maar de algen verdwijnen. In een ander experiment met korstmos blijkt dat de algen zonder schimmel kunnen blijven leven als er voldoende licht, water en voedingszouten voor de algen beschikbaar zijn. Een leerling noemt de hier beschreven relatie tussen alg en schimmel in korstmos 'mutualisme'. Een andere leerling is het daar niet mee eens.

Leg uit dat in deze experimentele situaties het begrip 'mutualisme' niet van toepassing is op de relatie tussen schimmel en alg in een korstmos.
Geef in je uitleg ook de definitie van het begrip mutualisme.

Ecologie

1/2 Relaties tussen soorten.

De populaties van twee verschillende soorten (P en Q) leven binnen een bepaald ecosysteem dicht naast elkaar. Het doen en laten van individuen van de ene populatie heeft meer of minder of geen effect op individuen van de andere populatie. Voor de aard van de relatie tussen de individuen van beide populaties bestaan de volgende mogelijkheden:

+ = het effect van populatie P op populatie Q is positief: individuen van populatie Q hebben voordeel van individuen van populatie P
- = het effect van populatie P op populatie Q is negatief: individuen van populatie Q hebben nadeel van individuen van populatie P
0 = het effect van populatie P op populatie Q is niet positief en niet negatief: individuen van populatie Q hebben geen voordeel en geen nadeel van individuen van populatie P

Dezelfde mogelijkheden worden onderscheiden voor het effect van individuen uit populatie Q op individuen uit populatie P.
Deze relaties tussen soorten in een ecosysteem kunnen in een schema worden weergegeven.
De relaties zijn: amensalisme, commensalisme, mutualisme, neutralisme en parasitisme.
In het schema van de afbeelding zijn amensalisme en neutralisme al ingevuld.

afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Ecologie

2/2 Relaties tussen soorten.

Maak het schema compleet door de begrippen commensalisme, mutualisme en parasitisme op de juiste plaats(en) in te vullen. Geef je antwoord in de onderstaande rij.

1 = [invulveld]
2 = [invulveld]
3 = [invulveld]
4 = [invulveld]
5 = [invulveld]

Ecologie

1/5 Bladsnijdermieren.
Zie figuur B 7142 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
In het kader van onderzoek naar de evolutie van het paargedrag van mieren heeft een onderzoeksteam twee verwante soorten mieren vergeleken. Het onderzoek leverde aanwijzingen voor de veronderstelling, dat het paren met meer partners energetisch gezien kostbaar is en verdwijnt zodra het kan.
Een koningin van een van de soorten bladsnijdermieren, Acromyrmex echinatior, wordt tijdens haar bruidsvlucht door gemiddeld meer dan tien mannetjes bevrucht en slaat al het sperma dat ze nodig heeft voor de rest van haar leven in haar lichaam op. Mannetjes worden gewoonlijk slechts één keer per jaar geproduceerd en gaan na de paring dood.
De bevruchte jonge koningin vormt een ondergronds nest. De werksters kweken schimmeltuintjes op stukjes blad die zij het nest in hebben gesleept. De schimmels breken cellulose uit de bladeren af en de mieren voeden zich met onder andere deze schimmels.
In bijna de helft van de ondergrondse nesten is ook Acromyrmex insinuator te vinden. Deze soort bladsnijdermieren ontstond uit dezelfde voorouderstam als A. echinatior en wordt beschouwd als een evolutionair jongere soort. Bevruchte koninginnen van A. insinuator dringen het nest van A. echinatior binnen, nemen de geur aan van de aanwezige werksters en genieten vervolgens hun leven lang kost en inwoning. Zij stoppen vrijwel al hun energie in het voortbrengen van mannetjes en van nieuwe koninginnen, die na bevruchting naar nieuwe nesten van A. echinatior op zoek gaan. Er worden weinig werksters geproduceerd, die bovendien slechts kort leven. De koninginnen van A. insinuator paren in het algemeen met één of hooguit twee mannetjes.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 Bladsnijdermieren.

A. echinatior leeft volgens de tekst samen met een schimmel (1) en met A. insinuator (2).

Van welk type symbiose is sprake bij 1 en van welk type symbiose bij 2?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 Bladsnijdermieren.

Wat is de habitat van de schimmels die in de tekst beschreven zijn?
Wat is de niche (nis) van de schimmels die in de tekst beschreven zijn?

Ecologie

4/5 Bladsnijdermieren.

Twee kenmerken van de levenswijze van A. insinuator zijn:

1 Er ontwikkelen werksters van A. insinuator, die niet nodig zijn door de zorg van A. echinatior werksters;
2 A. insinuator leeft in symbiose met een andere soort (A. echinatior), waarvan ze de geur heeft aangenomen.

Kan kenmerk 1 worden beschouwd als een aanwijzing dat A. insinuator een evolutionair jongere soort is dan A. echinatior?
En kenmerk 2?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/5 Bladsnijdermieren.

Eén van de voordelen van het paren met meer partners is de grote genetische diversiteit bij het nageslacht.

Noem een gunstig effect van een grote genetische diversiteit bij de jonge koninginnen die uitvliegen.
Noem een gunstig effect van een grote genetische diversiteit bij werksters van de soort A. echinatior voor de instandhouding van het nest.

Ecologie

1/3 Een parasiet.
Zie figuur C 129 van de bijlage.

Schistosoma mansoni is een platworm die bij de mens de ziekte schistosomiasis of bilharzia veroorzaakt. In de afbeelding is de levenscyclus van deze parasiet weergegeven.
De volwassen wormen leven in de holte van aders in het buikvlies. De aders in het buikvlies voeren bloed van de darmen af. De mannelijke wormen hebben een gootje in het enigszins afgeplatte lichaam. Hierin ligt de vrouwelijke worm ingebed. Per etmaal kan een wormenpaar tientallen tot duizenden eieren produceren.
Een deel van de eieren gaat door de wand van de darmen van de geïnfecteerde persoon heen en wordt met de ontlasting uit de darmen verwijderd.
Een ander deel van de eieren wordt door het bloed naar de lever vervoerd en afgezet in de wand van bloedvaten, die iets groter zijn dan haarvaten. Rondom deze eieren wordt een laag bindweefsel gevormd waardoor de diameter van deze bloedvaten afneemt.
Uit eieren die in een geschikt extern milieu terechtkomen, ontstaan larven die miracidiën worden genoemd. De miracidiën dringen het lichaam van een bepaalde soort is zoetwaterslak binnen en ontwikkelen zich hierin tot infectieuze larven die cercariën worden genoemd.
Wanneer een mens in water terecht komt waarin zich cercariën bevinden, dringen deze het lichaam van de mens binnen door met behulp van bepaalde enzymen een deel van de huid van de mens af te breken.

Enkele weefsels zijn: bindweefsel, dekweefsel en spierweefsel.

Door welk of door welke van deze weefsels gaat een ei van deze worm zeker heen op weg van de buikvliesader naar de darmholte (zie tekst)?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Een parasiet.

Doordat eieren zich in de wand van bloedvaten vastzetten (regel 10-11), stijgt de bloeddruk in een bepaald bloedvat.

In welk van de bloedvaten leverader, onderste holle ader en poortader stijgt de bloeddruk?

Ecologie

3/3 Een parasiet.

Enkele enzymen zijn: lipase, pectinase en proteïnase.

Welk van deze enzymen speelt zeker geen rol bij het binnendringen van een cercarie in het lichaam van de mens (zie tekst)?

Ecologie

2/3 Koraal.

Welk van de genoemde organismen geeft of welke geven energie aan het zeewater af in de vorm van warmte?

Ecologie

3/3 Koraal.

Enkele chemische verbindingen zijn: glucose, nitraat, vetzuur, zuurstof.

Welke van deze chemische verbindingen maakt of welke maken deel uit van de koolstofkringloop en worden door de wieren geproduceerd?

Ecologie

1/5 Symbiose.

In de Grote Oceaan bij Nieuw-Guinea komen vele soorten garnalen en stekelhuidigen voor. Tussen de pistoolgarnaal (Synalpheus stimpsoni) en een aantal soorten stekelhuidigen bestaat een vorm van symbiose. Twee vormen van symbiose zijn mutualisme en commensalisme.

Noem het verschil tussen mutualisme en commensalisme.

Ecologie

2/5 Symbiose.
Zie figuur A 737 van de bijlage.

Naar de pistoolgarnaal en verschillende soorten stekelhuidigen is onderzoek gedaan. Van stekelhuidigen is bekend dat zij bepaalde chemische verbindingen (signaalstoffen) afgeven aan hun omgeving.
De onderzoekers formuleerden de volgende hypothese:
Signaalstoffen spelen een rol bij de herkenning door de pistoolgarnaal van diverse soorten stekelhuidigen.

Voor het onderzoek werd de volgende proefopstelling gebruikt:
De aquaria A en B zijn via een Y-vormige ondoorzichtige buis verbonden met bak D. In de buis (op plaats C) kan een pistoolgarnaal worden geplaatst. Vanuit deze plaats kan de garnaal zich naar aquarium A of B verplaatsen, maar niet naar bak D. Door een kraantje onder bak D te openen, stroomt 100 mL water per minuut weg. Het hele systeem is gevuld met zeewater, dat wordt aangevuld in de aquaria A en B.
De proefopstelling is weergegeven in de afbeelding.
In de aquaria A en B werden achtereenvolgens verschillende soorten stekelhuidigen geplaatst. De onderzoekers gebruikten de stekelhuidige Comaster multifidus, die in symbiose leeft met Synalpheus stimpsoni, en de drie soorten stekelhuidigen, Himerometra robustipinna, Comanthus alternans en Comatella stelligera, die geen symbiotische relatie hebben met Synalpheus stimpsoni.
In beide takken van de Y-vormige buis (zie de afbeelding) bevindt zich een knik. Door deze knik worden bepaalde prikkels uitgesloten die van invloed zouden kunnen zijn op de verplaatsing van de garnaal op plaats C.

Vier typen prikkels zijn:
1. visuele prikkels
2. mechanische prikkels
3. elektrische prikkels
4. chemische prikkels

Welk type prikkel wordt of welke typen prikkels worden door de knik in de buizen uitgesloten?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 Symbiose.

De onderzoekers voerden een serie metingen uit. Elke meetreeks begon met het plaatsen van een pistoolgarnaal op plaats C. Vervolgens werd in aquarium A en/of B al dan niet een stekelhuidige geplaatst.
Genoteerd werd waar de pistoolgarnaal zich na een vastgestelde tijd bevond. De resultaten zijn weergegeven in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Ecologie

4/5 Symbiose.

Wat is de functie van meetreeks 1?

Ecologie

5/5 Symbiose.

De onderzoekers trekken uit het experiment onder andere de volgende conclusie:

Garnalen van de soort Synalpheus stimpsoni reageren positief op stekelhuidigen van de soort Comaster multifidus en niet op de stekelhuidigen Himerometra robustipinna, Comanthus alternans en Comatella stelligera.

Welke combinatie van meetreeksen, met de daaruit verkregen resultaten, is nodig om deze conclusie te kunnen trekken?

Ecologie

1/4 Parasieten bij vee.
Zie figuur B 5254 van de bijlage.

Vee kan een reeks parasieten herbergen, zie de afbeelding hiernaast. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid parasieten kan de groei van het vee vertragen.

Verklaar waardoor de groei van een geparasiteerde koe wordt vertraagd.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Myxomatose.
Zie figuur B 5299 van de bijlage.

De grafiek hiernaast laat de dichtheid aan konijnen en de jaarlijkse neerslag zien in een gebied in Zuid-Queensland (Australië) van 1958 tot 1972. Het konijnen-myxomavirus werd geïntroduceerd in dit gebied in 1960.

Wat is de meest waarschijnlijke verklaring voor de verandering in dichtheid van konijnen in deze periode?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/5 Koraalrif.
Zie figuur B 5312 van de bijlage.

Tropische koraalriffen vormen ecosystemen met een grote biodiversiteit. Ze hebben een grote betekenis voor de mens, onder andere als basis voor visserij en toerisme.
Steenkoralen bestaan uit heterotrofe koraaldiertjes, die in symbiose leven met algen (zie afbeelding hiernaast).
Algen spelen een belangrijke rol bij de opbouw van het kalkskelet van de steenkoralen en daarmee bij de groei van het koraal.

- Geef aan welk voordeel koraaldiertjes nog meer hebben van hun symbiotische relatie met de algen.
- Geef aan welk voordeel de algen hebben van deze relatie.

afbeeldingafbeelding