Oefentoets Biologie: Ecologie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 18

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

2/2 Verminderde lozing van fosfaat.

Teken een voedselweb met alle in de tekst genoemde groepen organismen. Geef de genoemde voedselrelaties weer met behulp van pijlen.

Ecologie

1/3 Mollen en ooievaars.
Zie figuur A 349 van de bijlage.

Ooievaars zijn mollenvangers bij uitstek (zie de afbeelding). Maar dat heeft zijn schaduwzijde. Een mol is eigenlijk als prooidier te groot voor een ooievaar. De klauwen van een ingeslikte mol kunnen wonden in de slokdarm van een ooievaar veroorzaken. Door verlaging van de waterstand is het aantal mollen in ons land flink toegenomen. Daardoor eten de ooievaars meer mollen dan vroeger en gaan er meer ooievaars dood door een beschadigde slokdarm. De mol is evenals de ooievaar een vleeseter.

In de tekst wordt een gedeelte van een voedselketen genoemd: ooievaar en mol.

Uit hoeveel schakels bestaat deze voedselketen minstens?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Mollen en ooievaars.

Wordt de toename van het aantal mollen veroorzaakt door een verandering in een abiotische factor of door een verandering in een biotische factor? Licht je antwoord toe.

Ecologie

3/3 Mollen en ooievaars.

De mol is een vleeseter.

Is op grond van dit gegeven te verwachten dat een mol knobbelkiezen heeft.
En plooikiezen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Plagen natuurlijk te lijf.
Zie figuur B 6808 van de bijlage.

Fruittelers gebruiken steeds meer de kennis over het leven van insekten en mijten die schade toebrengen aan hun fruit (1) om ze te bestrijden. Fruitspintmijten (2) bestrijden zij door het uitzetten van appelroofmijten (3) die de fruitspintmijten (2) opvreten.

Welke is de juiste volgorde waarin de genummerde organismen in de voedselketen moeten staan?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Plagen natuurlijk te lijf.

Is de appelroofmijt een producent, een consument of een reducent?

Ecologie

3/4 Plagen natuurlijk te lijf.

Geef de voedselketen waarvan de appelroofmijt deel uitmaakt.

Ecologie

4/4 Plagen natuurlijk te lijf.

Is een appelroofmijt een producent, een consument of een reducent? Verklaar je antwoord.

Ecologie

1/2 De Oosterscheldedam.

De Oosterschelde is een zeearm. Bij laag water zijn grote delen van de Oosterschelde droog gevallen. Op de grote zandige platen die dan zichtbaar zijn, krioelt het van de vogels die op zoek zijn naar wormen en schelpen in de bodem. Door de vloed worden de vogels verdreven en kunnen de talrijke wormen en schelpdieren de microscopisch kleine algen en diertjes vangen die in het zeewater rondzweven.
In de Oosterschelde is een waterdoorlatende dam gebouwd. Deze Oosterscheldedam gaat alleen met storm helemaal dicht. Door de dam verandert het waterpeil bij hoog en laag water minder dan vroeger. Daardoor is het deel dat bij laag water droogvalt kleiner geworden.

Geef de voedselketen van de in de tekst genoemde organismen.

Ecologie

2/2 De Oosterscheldedam.

Een bepaalde plaats in de Oosterschelde valt tegenwoordig nog maar zelden droog. Op die plaats zitten meer wormen in de bodem dan voor de komst van de dam.

Noem twee biotische factoren die verband houden met deze toename van het aantal wormen. Verklaar van elke factor de invloed op het aantal wormen.

Ecologie

1/2 De Oosterscheldedam.

De Oosterschelde is een zeearm. Bij laag water zijn grote delen van de Oosterschelde droog gevallen. Op de grote zandige platen die dan zichtbaar zijn, krioelt het van de vogels (1) die op zoek zijn naar wormen en schelpen (2) in de bodem. Door de vloed worden de vogels verdreven en kunnen de talrijke wormen en schelpdieren (2) de microscopisch kleine algen (4) en diertjes (3) vangen die in het zeewater rondzweven.

In welke volgorde staan de genummerde organismen in een voedselketen?

Ecologie

2/2 De Oosterscheldedam.

In de Oosterschelde is een waterdoorlatende dam gebouwd. De Oosterscheldedam gaat alleen met storm helemaal dicht. Door de dam verandert het waterpeil bij hoog en laag water minder dan vroeger. Daardoor is het deel dat bij laag water droogvalt kleiner geworden.
Een bepaalde plaats in de Oosterschelde valt tegenwoordig nog maar zelden droog. Op die plaats zitten meer wormen in de bodem dan voor de komst van de dam.

Welke twee biotische factoren houden verband met deze toename van het aantal wormen?
Welke invloed heeft elke factor op het aantal wormen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/8 Organismen in een rivier.
Zie figuur B 2554 van de bijlage.

Een groep onderzoekers bestudeerde de organismen in een bepaalde rivier. De organismen die in de rivier leven zijn schematisch weergegeven in de afbeelding. Muggenlarven eten onder andere algen.
De benoemde organismen in de afbeelding vormen een voedselketen.

Noteer deze voedselketen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/8 Organismen in een rivier.

De onderzoekers vingen de forellen en de libellenlarven uit de rivier.

Zal hierdoor het aantal muggenlarven in de rivier veranderen? Licht je antwoord toe.

Ecologie

3/8 Organismen in een rivier.

Wat zou het gevolg zijn voor het aantal algen, als men de libellenlarven en de regenboogforellen zou wegvangen uit de rivier? Licht je antwoord toe.

Ecologie

4/8 Organismen in een rivier.

De ademhaling van muggenlarven is te vergelijken met die van volwassen muggen.

Halen muggenlarven adem door middel van kieuwen?
En regenboogforellen?

Ecologie

5/8 Organismen in een rivier.

De regenboogforellen kunnen verdwijnen door giflozingen in de rivier. De overige organismen zijn ook gevoelig voor giflozingen, maar ze gaan toch niet zo snel dood als de regenboogforellen.

Geef een verklaring voor dit verschil.

Ecologie

6/8 Organismen in een rivier.
Zie figuur B 2554 van de bijlage.

De benoemde organismen in de rivier van de afbeelding vormen samen een voedselketen.
De totale massa van alle individuen per schakel in die voedselketen wordt een jaar lang regelmatig bepaald.

In welke schakel is de totale massa van alle individuen samen het grootst?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

7/8 Organismen in een rivier.
Zie de figuren B 3565 en B 2554 van de bijlage.

Van deze voedselketen kan een piramide van biomassa worden gemaakt (zie de afbeelding).

Welke organismen horen bij laag S in de afbeelding?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

8/8 Organismen in een rivier.

De onderzoekers aten tijdens het onderzoek veel regenboogforellen. Zij bakten de vissen in olie. Door twee voedingsmiddelen aan de maaltijden met de vis toe te voegen, voldeden de maaltijden aan de eisen van de maaltijdschijf.

Noem twee voedingsmiddelen die de onderzoekers hiervoor konden gebruiken.