Oefentoets Biologie: Spijsvertering - Spijsvertering | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 33 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

33

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

Enzymactiviteit.
Zie figuur B 25 van de bijlage.

Men onderzoekt bij een zoogdier de activiteit van twee enzymen bij verschillende zuurgraad.
De gevonden waarden staan in het afgebeelde diagram, waarbij de activiteiten van de enzymen (P en Q) uitgezet zijn tegen de zuurgraad.

Welke beweringen over enzym P en enzym Q zijn juist?

1. Enzym P is actief bij de eiwitvertering.
2. Enzym Q kan actief zijn bij de eiwitvertering.
3. Enzym Q wordt wel, maar enzym P wordt niet door de alvleesklier geproduceerd.
4. Zowel enzym P als enzym Q zijn vetsplitsende enzymen.
5. Enzym P en enzym Q zijn in hetzelfde deel van het spijsverteringskanaal werkzaam.

De juiste beweringen zijn

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur A 184 van de bijlage.

De tekening geeft het spijsverteringsstelsel van de mens weer.

Welk(e) van de aangegeven organen produceert(ceren) enzymen die in het darmkanaal vetten verteren?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

Vier weefseltypen die bij een mens in de wand van de dunne darm voorkomen, zijn: dekweefsel, spierweefsel, steunweefsel en zenuwweefsel.

Welk van deze weefseltypen produceert de enzymen voor het verteringsproces?

Spijsvertering

Spijsvertering.

Bij een experiment wordt aan een zetmeeloplossing een bepaalde hoeveelheid van een enzym E toegevoegd dat bij de mens voorkomt. Als gevolg hiervan neemt de zetmeelconcentratie in de oplossing snel af.
Bij een mens komen onder andere alvleesklier, maag en speekselklieren voor.

Van welke van deze organen kan enzym E afkomstig zijn?

Spijsvertering

Activiteit van pesine en lipase.
Zie figuur B 451 van de bijlage.

In het diagram is het verband weergegeven tussen de pH en de activiteit van het enzym pepsine en tussen de pH en de activiteit van het enzym lipase.
De gegevens uit het diagram worden in verband gebracht met de werking van pepsine en lipase in het spijsverteringskanaal van de mens. Hierover worden vier uitspraken gedaan:

1. Pepsine kan alleen werken op plaatsen in het spijsverteringskanaal waar de pH 2 is.
2. Lipase kan alleen werken op plaatsen in het spijsverteringskanaal waar de pH 8 is.
3. Pepsine is gevoeliger voor veranderingen in de pH in het spijsverteringskanaal dan lipase.
4. Vertering door de werking van pepsine en lipase kan in geringe mate plaatsvinden op plaatsen met een pH van ongeveer 4.

Welke uitspraken zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Enzymactiviteit.
Zie figuur A 262 van de bijlage.

Van twee verschillende spijsverteringsenzymen (P en Q) staat in de afgebeelde diagrammen het verband aangegeven tussen de enzymactiviteit en de zuurgraad (pH).

Uit een vergelijking van de twee activiteitscurven en op grond van wat men weet over enzymen en hun werking in ons spijsverteringskanaal kan men afleiden dat waarschijnlijk

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

In het spijsverteringskanaal van de mens zijn verschillende typen enzymen actief:

1. eiwitverterende enzymen;
2. koolhydraatverterende enzymen;
3. vetverterende enzymen.

Welk van deze typen is of welke zijn gevoelig voor de pH van hun milieu?

Spijsvertering

Enzymvorming.
Zie figuur A 198 van de bijlage.

De tekening stelt het spijsverteringsstelsel van de mens voor.

Op welke plaats of op welke plaatsen worden enzymen gevormd, die wat hun activiteit betreft, afhankelijk zijn van de zuurgraad van hun milieu?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 1704 van de bijlage.

In de figuur is een deel van het spijsverteringskanaal gegeven.

Eiwitsplitsende enzymen worden gevormd in

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 1704 van de bijlage.

In de figuur is een deel van het spijsverteringskanaal gegeven.

Stoffen die nodig zijn voor goede vertering van vetten kan men aantreffen in

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Koolhydraatvertering.
Zie figuur B 2497 van de bijlage.

Vertering van koolhydraten vindt plaats door middel van enzymen, die gemaakt worden in de onderdelen

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

Drie delen van het lichaam zijn: speekselklieren, alvleesklier en cellen in de wand van de dunne darm.

In welk of in welke van deze delen worden bij gezonde mensen enzymen gevormd die een rol spelen bij de vertering van koolhydraten?

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

In 100 mL water van 37°C wordt 50 mg zetmeel opgelost.
Aan deze oplossing wordt een hoeveelheid speeksel toegevoegd die bij 37°C, 5 mg zetmeel per minuut kan afbreken.
Na 5 minuten onderzoekt men dit mengsel op de aanwezigheid van eiwitten, zetmeel en suiker.

In het onderstaande schema betekent: + = aanwezig en - = niet aanwezig.

Welke stoffen zullen aanwezig zijn?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

Een petrischaal bevat een voedingsbodem met zetmeel. Met een jodiumoplossing is deze voedingsbodem blauw gekleurd.

Op deze voedingsbodem bevindt zich:

op plaats 1: een druppel speeksel van een mens;
op plaats 2: een zaadlob van een ontkiemende boon;
op plaats 3: een stukje maagwand van een varken;
op plaats 4: een stukje alvleesklier van een varken.

Op drie van de vier plaatsen verdwijnt de blauwe kleur.

Op welke van deze plaatsen zal de blauwe kleur zichtbaar blijven?

Spijsvertering

Maltose-afbraak.
Zie figuur B 339 van de bijlage.

Aan een reageerbuis, gevuld met een maltose-oplossing van 0°C, wordt een enzym, afkomstig van een zoogdier, toegevoegd dat maltose omzet in glucose.
De inhoud van de buis wordt al roerend langzaam tot 80°C verwarmd.

Welke grafiek kan aangeven hoe het glucosegehalte in de buis verandert?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

Van een zetmeeloplossing wordt in vier reageerbuizen een gelijke hoeveelheid gedaan.
Aan deze buizen worden verteringssappen van de mens toegevoegd.

Het aantal toegevoegde enzymmoleculen van elk sap is gelijk.

- Aan buis 1 wordt speeksel toegevoegd,
- Aan buis 2 wordt maagsap toegevoegd,
- Aan buis 3 wordt alvleessap toegevoegd.
- Aan buis 4 wordt darmsap toegevoegd.

In welke buis zal de hoeveelheid zetmeel het snelst afnemen?

Spijsvertering

Zetmeelvertering.
Zie figuur B 465 van de bijlage.

Op een zetmeeloplossing laat men, gerekend vanaf tijdstip 0, een bepaalde hoeveelheid van het enzym amylase inwerken.
De temperatuur waarbij dit gebeurt, wordt constant op 37°C gehouden.
Om de vijf minuten wordt de hoeveelheid nog aanwezig zetmeel bepaald.
De resultaten van de bepalingen worden uitgezet in een diagram.

In de afbeelding B 465 zijn vier diagrammen getekend.

In welk diagram kunnen de gemeten hoeveelheden zetmeel juist zijn weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

In welke klieren bij de mens wordt zetmeelverterend enzym gevormd?

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

Bij een experiment worden verschillende stoffen als volgt verdeeld over vier reageerbuizen:

afbeeldingafbeelding

In welke reageerbuis zal het zetmeel het snelst worden afgebroken?

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur A 190 van de bijlage.

In de tekening is schematisch het spijsverteringsstelsel van de mens weergegeven.

Welk van de aangegeven organen produceert of welke organen produceren een enzym dat zetmeel omzet in maltose?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Kiemende gertstekorrels en zetmeelvertering.

Kiemende gerstekorrels worden doormidden gesneden. De halve gerstekorrels worden met het snijvlak op een voedingsbodem gelegd die zetmeel bevat. Na enige tijd is onder de halve gerstekorrels het zetmeel verdwenen, terwijl er een ander koolhydraat (maltose) kan worden aangetoond.

Wordt dit verschijnsel veroorzaakt door een enzym in deze gerstekorrels?
Zo ja, op de werking van welk enzym in het spijsverteringskanaal van een mens lijkt de werking van dit gerstekorrel-enzym dan het meest?

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

Een onderzoeker vult twee buizen met de volgende mengsels:
afbeeldingafbeelding
Hij schudt daarna beide buizen krachtig en plaatst ze bij een temperatuur van 37°C. Na een half uur bepaalt hij hoeveel zetmeel in de buizen is verteerd.

In welke buis zal na een half uur het meeste zetmeel zijn verteerd en waardoor komt dit?

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 576 van de bijlage.

In het schema zijn de activiteiten van enzym P en enzym Q aangegeven. Enzym P komt voor in speeksel en in alvleessap. Enzym Q komt voor in darmsap.

Welke stof zou R kunnen voorstellen?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 566 van de bijlage.

In het schema is de activiteit van twee enzymen weergegeven.
Enzym P komt voor in speeksel en in alvleessap. Enzym Q komt voor in darmsap.

Welke stof kan schematisch zijn voorgesteld door S?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.

In de mondholte van de mens vindt met behulp van het enzym amylase vertering plaats van zetmeel.
Wanneer het voedsel in de maag terecht komt, stopt de werking van amylase na enige tijd.

Wat is hiervan de oorzaak?

Spijsvertering

Spijsvertering.

Als bietsuiker door de mens wordt gegeten, ontstaat als verteringsproduct onder andere glucose. Wordt bietsuiker rechtstreeks in het bloed gespoten, dan komt alle bietsuiker onveranderd in de urine terecht.

Hieruit worden drie conclusies getrokken:

1. Bietsuiker passeert de wand van sommige bloedvaten;
2. Bietsuiker wordt in sommige lichaamscellen opgeslagen;
3. Er zijn geen bietsuiker-verterende enzymen in het bloed werkzaam.

Welke conclusie is of welke zijn juist?

Spijsvertering

Zetmeelvertering.

In een bekerglas bevindt zich een zetmeeloplossing.
Aan deze oplossing wordt een bepaalde hoeveelheid zetmeelverterend enzym toegevoegd.
De zetmeelconcentratie neemt dan af. De temperatuur en de pH in de oplossing zijn optimaal.
Pas na drie uur is er geen zetmeel meer aan te tonen.
Iemand wil in eenzelfde proef bereiken dat er al na 1 uur geen zetmeel meer aan te tonen is.

Wat moet hij aan de proefomstandigheden veranderen om dit te bereiken?

Spijsvertering

Speekselamylase.

De werking van het speekselamylase

Spijsvertering

Een cavia.

Door welk van de organen R, S en Q worden spijsverteringsenzymen gevormd?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Cellen.

1. cellen in de wand van de dikke darm grenzend aan de darmholte,
2. cellen in de wand van de galblaas grenzend aan de galblaasholte,
3. cellen in de wand van de slokdarm grenzend aan de slokdarmholte.

Welke van de cellen uit groep 1 en 2 produceren enzymen die een belangrijke functie hebben bij het verteringsproces in het spijsverteringskanaal?

Spijsvertering

Enzymen.

Twee van deze enzymen zijn werkzaam in het spijsverteringskanaal van de mens.

Welk van de enzymen P, Q en R zal niet werkzaam zijn in het spijsverteringskanaal?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

1/2 Onderzoek naar de werking van enzymen.

In speeksel komt het enzym amylase voor, dat zorgt voor de omzetting van zetmeel in maltose.
Leerlingen vragen zich af welke omstandigheden invloed hebben op de werking van dit enzym. Zij besluiten een onderzoek te doen naar de invloed van een hoge temperatuur en van de stoffen keukenzout (NaCl) en alcohol (C2 H5 OH) op amylase.

De uitvoering van het experiment geschiedt als volgt:

Zij nemen vier reageerbuisjes, P, Q, R en S en brengen in elk buisje een mengsel van stoffen. In elk van de vier buisjes wordt 5 ml zetmeeloplossing gedaan.
Aan buisje P en Q wordt 0,2 ml gedestilleerd water toegevoegd, aan buisje R 0,2 ml alcoholoplossing en aan buisje S 0,2 ml keukenzoutoplossing. Tenslotte wordt aan de buizen speeksel toegevoegd: aan buis P, R en S elk 0,5 ml speeksel en aan buis Q 0,5 ml gekookt speeksel.
Vanaf het moment dat het speeksel zich in de buisjes bevindt, brengen de leerlingen uit elk van de buisjes, om de minuut, een druppel op een glasplaat en mengen die met een druppel zetmeelindicator (jood-joodkalium). De indicator heeft een donkergele kleur en kleurt in aanwezigheid van zetmeel blauw.
De resultaten van dit experiment zijn in de tabel hieronder weergegeven.

afbeeldingafbeelding

Verklaar het resultaat van de proef in buisje Q.

Spijsvertering

2/2 Onderzoek naar de werking van enzymen.

Wat is het effect van alcohol en wat is het effect van keukenzout op de werking van amylase?