Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Jaarringen.

In Californië groeien op een hoogte van ongeveer 3500 m zeer oude sparrenbomen. Bij het meten van de jaarringen van zulke sparrenbomen bleek de gemiddelde dikte van een jaarring uit de periode 1850 - 1859 0,34 mm te zijn en uit de periode 1974 - 1983 0,70 mm.
Ter verklaring van het verschil in gemiddelde dikte van de jaarringen worden vier veronderstellingen gedaan:

1. Het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer is in de periode 1974 - 1983 lager geweest dan in de periode 1850 - 1859.
2. Het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer is in de periode 1974 - 1983 hoger geweest dan in de periode 1850 - 1859.
3. De gemiddelde temperatuur is in de periode 1974 - 1983 lager geweest dan in de periode 1850 - 1859.
4. De gemiddelde temperatuur is in de periode 1974 - 1983 hoger geweest dan in de periode 1850 - 1859.

Welke van deze veronderstellingen kan of welke kunnen een verklaring zijn voor het verschil in dikte van de jaarringen?

Plantenfysiologie

Jaarringen.

Het onderzoek van jaarringen van bomen geeft informatie over de weersgesteldheid in de jaren waarin de jaarringen ontstonden. Als hulpmiddel bij dit onderzoek kan een keuze gedaan worden uit een belichtingsmeter, een meetlat, een thermometer en een vochtmeter. Een boomstam wordt doorgezaagd.

Met welk hulpmiddel kan de meeste informatie worden verkregen?

Plantenfysiologie

Processen in een plant.

Welke van de hieronder genoemde verschijnselen zal men bij de groei (volumetoename) van een kruidachtige plant kunnen waarnemen?

1. toename van de verhouding tussen drooggewicht en versgewicht.
2. afname van de verhouding tussen drooggewicht en versgewicht.
3. de assimilatie-intensiteit is groter dan de dissimilatie-intensiteit.
4. de assimilatie-intensiteit is kleiner dan de dissimilatie-intensiteit.
5. de assimilatie-intensiteit is gelijk aan de dissimilatie-intensiteit.

De waarneembare verschijnselen zijn uitsluitend

Plantenfysiologie

Stekken van een plant.

Wanneer een pas afgesneden stengel van een Vlijtig Liesje (kruidachtige plant) in water wordt gezet, ontwikkelen zich hieraan wortels.

De ontwikkeling van deze wortels begint met deling van cellen uit

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantje.

Een kiemplantje van een eik wordt in een oplossing met voedingszouten geplaatst. Na een jaar is de plant 200 gram zwaarder geworden.
De plant heeft 2 gram van de zouten opgenomen.

Hoeveel water en CO2 heeft de plant opgenomen?
Is er water gebruikt bij de celgroei?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zuurstofopname in wortel.
Zie figuur B 328 van de bijlage.

In het diagram is de zuurstofopname, uitgedrukt in mL per uur per gram versgewicht, op verschillende afstanden van de worteltop van een kiemend zaadje, weergegeven.

Aan welk proces moet de grote zuurstofopname bij P vooral toegeschreven worden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Stengeltop.

In de top van een stengel bevindt zich delingsweefsel.

Door welk proces worden nieuw gevormde cellen even groot als een oorspronkelijke cel vóór de deling?

Plantenfysiologie

Jaarringen.
Zie figuur B 338 van de bijlage.

In een dwarsdoorsnede van een boomstam is het hout dat in een jaar is gevormd, te zien als een jaarring.
Van een boom wordt de stam op de plaatsen 1 en 2 doorgezaagd (zie tekening).

Is het aantal jaarringen op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?
Is de omtrek van de laatstgevormde jaarring op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Vorming van bloemknoppen.

In experimenten werd bij planten van dezelfde soort het verband bepaald tussen de vorming van bloemknoppen en de duur van afwisselende donker- en lichtperioden. Tussen twee series experimenten bleek het aantal gevormde bloemknoppen te variëren (zie tabel).
afbeeldingafbeelding

Welke van de onderstaande conclusies uit deze gegevens is juist voor deze planten?

Plantenfysiologie

Cambium.

Is het cambium in de stam van een lijsterbes het meest actief in het voorjaar of in het najaar?
Ontstaat door dit cambium lengtegroei of diktegroei?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Boom met verschillende bladkleuren.

Aan een boom is in het voorjaar een tak met lichtgele bladeren verschenen. Aan de andere takken, die in datzelfde voorjaar gevormd zijn, zijn uitsluitend groene bladeren ontstaan.

Twee beweringen over deze tak met lichtgele bladeren zijn:

I. De lichtgele kleur wordt veroorzaakt door gebrek aan bepaalde zouten in de bodem.
II. Het vermogen chlorofyl te vormen is door een mutatie in de aanleg van de knop waaruit deze tak ontstaan is, verloren gegaan.

Plantenfysiologie

Groei van maisplanten.
Zie figuur B 1116 van de bijlage.

Een onderzoeker wil de invloed van een bepaalde stof S op de groei van maïsplanten bestuderen. Hij maakt vijf voedingsoplossingen met de volgende samenstellingen:

1. alleen gedestilleerd water.
2. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten.
3. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en y mg van de stof S.
4. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 2y mg van de stof S.
5. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 3y mg van de stof S.

In elke oplossing laat hij evenveel maïsplanten groeien. De maïsplanten zijn even oud. De resultaten zijn te zien in de afbeelding.
Hij overweegt de volgende conclusies op grond van zijn resultaten:

1. Deze stof S heeft geen invloed op de bladontwikkeling.
2. Deze stof S heeft alleen invloed op de lengtegroei van de wortels.
3. Hoe hoger de concentratie van deze stof S, des te slechter zijn de groei en de ontwikkeling van de wortels.

Welke van deze conclusies is juist?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Broedknoppen van het Broedblad.
Zie figuur B 443 van de bijlage.

Aan de rand van de bladeren van het Broedblad (Bryophyllum), een bekende kamerplant, kunnen zich broedknoppen ontwikkelen, die uitgroeien tot jonge plantjes.
Op een bepaald moment vallen deze broedknoppen van het blad op de grond en kunnen dan uitgroeien tot volwassen planten.

Ontstaan de broedknoppen uit bastvaten, houtvaten, deelweefsel of steunweefsel?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een zaad.

Een zaad van de bonenplant bevat veel reservevoedsel. Gedurende de eerste dagen na het begin van de kieming neemt de totale hoeveelheid organische stoffen in het zaad af. Hiervoor worden de volgende verklaringen gegeven:

1. Het kiemplantje geeft organische stoffen direct af aan het omringend milieu.
2. Het kiemplantje verbruikt organische stoffen bij de fotosynthese.
3. Het kiemplantje verbruikt organische stoffen bij de dissimilatie.
4. Het kiemplantje neemt zouten op waardoor de hoeveelheid organische stoffen afneemt.

Welke van deze verklaringen is juist?

Plantenfysiologie

Groei van kiemende zaden.

Uit kiemende zaden groeit een jong plantje. Voor deze ontwikkeling is nodig

Plantenfysiologie

Kieming van erwten.
Zie figuur B 434 van de bijlage.

In een experiment wordt gedurende 10 dagen het verloop van de kieming van erwten bestudeerd. Vanaf het begin van de kieming tot het stadium waarin vier bladeren aanwezig zijn, wordt steeds van een aantal plantjes (met zaadlobben) het drooggewicht bepaald. Het drooggewicht van een plant is het gewicht nadat alle water er uit is verwijderd.

In het diagram van figuur B 434 geeft één van de vier grafieken het verband weer tussen de tijd en het drooggewicht van de erwtenplantjes (met zaadlobben).

Welke grafiek geeft dit verband juist weer?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een wilgentak.
Zie figuur B 1395 van de bijlage.

Een onderzoeker snijdt in het voorjaar twee stukjes tak van een wilg. Hij hangt de stukjes in een vochtige ruimte waarin de verlichtingssterkte op alle plaatsen dezelfde is. Het ene stukje tak (1) hangt hij met de bovenkant boven, het andere stukje tak (2) met de onderkant boven.
Beide takken lopen uit en vormen wortels en stengels met blaadjes. De wijze van uitlopen is weergegeven in de afbeelding.
Factoren die een rol spelen bij de ontwikkeling van planten zijn:

1. luchtvochtigheid,
2. temperatuur,
3. verlichtingssterkte,
4. zwaartekracht.

Welke van deze factoren speelt of welke spelen in deze proef een rol bij het bepalen van de richting waarin de wortels en stengels zich ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Aardappelknollen.

Twee knollen, afkomstig van dezelfde aardappelplant, beginnen uit te lopen. De ene knol wordt in het donker bewaard, de andere in het licht. Alle andere omstandigheden zijn gelijk.

Onder welke omstandigheden zullen na een week de langste uitlopers zijn ontstaan?
Onder welke omstandigheden zullen na een week de ontstane uitlopers het groenst zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Invloed van rassen op elkaars groei.

Van een bepaalde plantensoort komen twee rassen voor. Een kwekerij wil weten of aanwezigheid van ras 1 de groei van ras 2 nadelig beïnvloedt.

Welk experiment moet de kweker uitvoeren om dit uit te zoeken?

Plantenfysiologie

Groei van kruidachtige plant.

Een kruidachtige plant van 100 gram wordt in een pot opgekweekt tot een gewicht van 500 gram. Voor deze gewichtstoename zijn allerlei stoffen opgenomen, zoals:

1. water uit de grond;
2. zouten uit de grond;
3. koolstofdioxide uit de lucht.

Welke van deze stoffen draagt het meest bij aan de gewichtstoename en welke draagt het minst bij?

afbeeldingafbeelding