Oefentoets Biologie: Voeding | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 16

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voeding

3/4 Zonnen of eten?
Zie figuur A 744 van de bijlage.

In een aantal producten wordt extra vitamine D samen met extra calcium aangeboden. Een voorbeeld hiervan is de zogenaamde CalciumPlus-melk van Campina (zie de afbeelding).

De minimale dagelijkse behoefte aan calcium is door de gezondheidsraad voor jong volwassenen vastgesteld op 1,1 g per dag.
Deze aanbeveling wijkt af van de aanbeveling die je op het etiket kunt vinden.

Leg uit dat beide aanbevelingen toch niet met elkaar in tegenspraak hoeven te zijn.

afbeeldingafbeelding

Voeding

4/4 Zonnen of eten?

Bereken met behulp van nevenstaande gegevens, tot op één procent nauwkeurig, welk percentage van de door de gezondheidsraad aanbevolen calciumbehoefte een volwassene binnenkrijgt als hij twee glazen van elk 200 mL CalciumPlus-melk drinkt.

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/5 Patates frites met biefstuk en sla.

Het Voorlichtingsbureau voor de Voeding adviseert voedingsmiddelen uit elk van de vier groepen van de maaltijdschijf te gebruiken. In een groep van de maaltijdschijf staan voedingsmiddelen bij elkaar omdat ze één of meer van dezelfde typen voedingsstoffen bevatten. Op grond van de aanwezigheid van een bepaalde voedingsstof staan aardappelen in dezelfde groep als brood.

Op grond van welke voedingsstof is dat?

Voeding

2/5 Patates frites met biefstuk en sla.

Van aardappelen kun je patates frites maken. De samenstelling van gekookte aardappelen, patates frites, sla en gebakken biefstuk is vermeld in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Een diëtiste zegt tegen iemand die wil afvallen dat 100 gram patates frites meer energie leveren dan 100 gram gekookte aardappelen.

Leg uit waarom deze diëtiste gelijk heeft. Geef daarvoor drie argumenten en gebruik de gegevens uit de tabel.




-

Voeding

3/5 Patates frites met biefstuk en sla.

Een maaltijd bestaat uit 100 gram gebakken biefstuk, 100 gram sla en 200 gram patates frites.

afbeeldingafbeelding

Hoeveel gram eiwitten bevat deze maaltijd in totaal? Schrijf je berekening op.




-

Voeding

4/5 Patates frites met biefstuk en sla.

Een maaltijd bestaat uit 75 gram gebakken biefstuk, 50 gram sla en 250 gram patates frites.

afbeeldingafbeelding

Hoeveel gram eiwitten bevat deze maaltijd in totaal? Schrijf je berekening op.




-

Voeding

5/5 Patates frites met biefstuk en sla.

Aan het eind van het seizoen worden aardappelen gerooid. Zij worden dan enige tijd door aardappelhandelaren opgeslagen voordat ze onder andere geleverd worden aan fritesfabrikanten. Voor het bewaren worden ruimten gebruikt die droog en koel zijn. De handelaren verhinderen met chemische middelen dat de aardappelen uitlopers krijgen.

Leg uit dat 'droog en koel' omstandigheden zijn die verrotting van de aardappelen tegengaan.




-

Voeding

1/2 Salade.

In een kookboek worden de volgende bestanddelen voor een vleessalade genoemd:

afbeeldingafbeelding

Deze vleessalade bevat niet uit elk vak van de maaltijdschijf een voedingsmiddel.

Noem de naam van het vak of de namen van de vakken waaruit een voedingsmiddel bij deze vleessalade ontbreekt.




-

Voeding

2/2 Salade.

In de salade wordt citroensap verwerkt. Citroensap wordt niet alleen toegevoegd voor de smaak. Het is ook een conserveringsmiddel.

afbeeldingafbeelding

Waarvoor is het nuttig citroensap als conserveringsmiddel in de salade toe te voegen?




-

Voeding

Voedingsmiddelen.

Een diëtiste stelt een dieet samen voor iemand die moet afslanken. Zij twijfelt tussen het opnemen van een portie zoute haring van 100 gram of een portie kabeljauw van 150 gram.

afbeeldingafbeelding

Welke van beide kan zij het beste kiezen? Licht je antwoord toe met behulp van de tabel.




-

Voeding

1/2 Voedingswijzer.
Zie figuur D 16 van de bijlage.

Roel krijgt in de biologieles op school een opdrachtenvel over voeding. De volgende dag brengt hij het vel weer mee naar school. Het opdrachtenvel is weergegeven in de afbeelding.

Geef het juiste antwoord op opdracht 2 van het opdrachtenvel van Roel. Schrijf daartoe de naam van de voedingsmiddelen van zijn avondmaaltijd in een tabel.
Doe het zo op je antwoordblad:

vak 1: .................
vak 2: .................
vak 3: .................
vak 4: .................

Het is mogelijk dat je niet bij elk vak iets kunt invullen. Wanneer je klaar bent hoeft dus niet bij elk vak een voedingsmiddel te staan. Je moet wel alle genoemde voedingsmiddelen in een vak plaatsen.

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/2 Voedingswijzer.
Zie figuur D 16 van de bijlage.

Welk deel van de maaltijd van Roel levert meer energie, de levensmiddelen die ze in vak 1 heeft geplaatst of haar levensmiddelen uit vak 3? Leg je antwoord uit met behulp van een berekening. Gebruik de gegevens uit de voedingsmiddelentabel.

afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/2 Voedingswijzer.
Zie figuur D 15 van de bijlage.

Janneke krijgt in de biologieles op school een opdrachtenvel over voeding. De volgende dag brengt zij het vel weer mee naar school. Het opdrachtenvel is weergegeven in de afbeelding.

Geef het juiste antwoord op opdracht 2 van het opdrachtenvel van Janneke. Schrijf daartoe de naam van de voedingsmiddelen van haar avondmaaltijd in een tabel.
Doe het zo op je antwoordblad:

vak 1: .................
vak 2: .................
vak 3: .................
vak 4: .................

Het is mogelijk dat je niet bij elk vak iets kunt invullen. Wanneer je klaar bent hoeft dus niet bij elk vak een voedingsmiddel te staan. Je moet wel alle genoemde voedingsmiddelen in een vak plaatsen.

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/2 Voedingswijzer.

Welk deel van de maaltijd van Janneke levert meer energie, de runderbiefstuk of de yoghurt? Leg je antwoord uit met behulp van een berekening. Gebruik de gegevens uit de voedingsmiddelentabel.

afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/2 Vegetariër.

Rob is vegetariër. Een vegetariër eet geen producten waarvoor dieren moeten worden gedood.
Rob wil dat zijn voeding voldoet aan de aanbevelingen van het Voorlichtingsbureau voor de Voeding. Hij weet dat hij er als vegetariër extra op moet letten of hij van een bepaald type voedingsstof voldoende binnen krijgt.

Op welke groep van voedingsstoffen let Rob dan vooral bij het samenstellen van zijn maaltijden?

Voeding

2/2 Vegetariër.

Een argument tegen het eten van vlees is: "Het produceren van een kilo vlees kost meer energie dan het produceren van een kilo voedsel van plantaardige oorsprong. Dieren staan immers hoger in de piramide van biomassa dan planten."

Leg uit dat de productie van een kilo vlees meer energie kost dan de productie van een kilo graan. Gebruik in je antwoord het woord 'voedselketen'.

Voeding

1/4 Een darminfectie.

Rauw vlees, vooral van kippen en varkens, kan besmet zijn met ziekteverwekkende bacteriën zoals Salmonella en Campylobacter. Als deze bacteriën in het verteringskanaal terechtkomen, kunnen ze onder andere diarree veroorzaken. Bij diarree is de ontlasting dun en waterig doordat de onverteerde resten niet genoeg zijn ingedikt.

Hoe heet het deel van het verteringskanaal waarin onverteerde resten worden ingedikt?

Dit deel heet de/het [invulveld].

Voeding

2/4 Een darminfectie.

Om vast te stellen of een darminfectie de oorzaak is van diarree wordt wat ontlasting onderzocht. In de ontlasting worden onder andere cellen aangetroffen die een kern hebben, maar geen celwand.

Kunnen zulke cellen bacteriën zijn? Leg je antwoord uit.

Voeding

3/4 Een darminfectie.

De bacterie Campylobacter kan, naast diarree, in zeldzame gevallen een ernstige ziekte veroorzaken die het zenuwstelsel aantast. Deze ziekte is een zogenaamde auto-immuunziekte. Hierbij bestrijdt het afweersysteem niet alleen Campylobacter, maar ook stoffen op de buitenkant van de zenuwen. Deze stoffen zetten het lichaam aan tot het maken van antistoffen.

Zo'n auto-immuunziekte kan niet bestreden worden door passieve immunisatie. Leg uit waardoor dat niet kan.

Voeding

4/4 Een darminfectie.

Op een boerderij krijgen varkens voer waaraan melkzuurbacteriën zijn toegevoegd. Het blijkt dat het vlees van deze varkens minder besmet is met schadelijke darmbacteriën.
Een kippenfokker vraagt zich af of ook kippen minder snel met Campylobacter besmet raken als ze voer krijgen met melkzuurbacteriën.

Schrijf een werkplan op voor een onderzoek waarmee dit nagegaan kan worden.