Deze digitale toets over biologische bestrijding en duurzame landbouw richt zich op leerlingen in de agrarische sector en behandelt onderwerpen zoals de bestrijding van plagen, de rol van consumenten en reducenten in ecosystemen, en de effecten van chemische middelen op het milieu. Ontdek de impact van landbouwpraktijken op de biodiversiteit en het milieu. - 20 vragen
In tomatenkassen kan een insectensoort voorkomen die nogal wat schade kan aanrichten: de witte vlieg. Deze zuigt sap uit de bladeren van tomatenplanten. Speciale bedrijven leveren aan de tuinders sluipwespen om de witte vlieg te bestrijden. De sluipwespen leggen eitjes in de larven van de witte vlieg. De larven van de sluipwesp eten de larven van de witte vlieg op.
Hoe wordt deze vorm van bestrijding genoemd?
Consumenten en reducenten in ecosystemen
3/6 Tomaten.
Is de sluipwesp een consument of een reducent? En de witte vlieg?
afbeelding
Invloed van factoren op tomatenplanten in kassen
4/6 Tomaten.
Worden tomatenplanten in kassen tijdens de groei beïnvloed door abiotische factoren? En worden ze beïnvloed door biotische factoren?
Bloemstructuur en tomaatontwikkeling
5/6 Tomaten. Zie figuur B 3037 van de bijlage.
In de afbeelding is een schematische doorsnede van een bloem van een tomaat weergeven en een doorsnede van de tomaat weergegeven, die uit zo'n bloem is ontstaan.
Is deel P van de tomaat een overblijfsel van deel 1 of van deel 2 van de bloem? Is deel Q van de tomaat ontstaan uit deel 3 of uit deel 4 van de bloem?
afbeelding
afbeelding
Gevolgen van verhoogd koolstofdioxidegehalte
6/6 Tomaten.
De computer regelt ook de temperatuur, de vochtigheidsgraad en het koolstofdioxidegehalte in de kas. Het koolstofdioxidegehalte van de lucht in de kas is hoger dan het koolstofdioxidegehalte van de lucht rondom de aarde. De extra koolstofdioxide wordt door de verwarmingsinstallatie geproduceerd en door een stelsel van slangen met gaatjes, door de kas verspreid. Door de koolstofdioxide niet buiten de kas te lozen, wordt extra verhoging van het koolstofdioxidegehalte voorkomen.
Noem een nadelig gevolg van een verhoging van het koolstofdioxidegehalte van de lucht rondom de aarde.
EKO-keurmerk en biologische aardappelteelt
1/2 Eko-keurmerk. Zie figuur B 3602 van de bijlage.
Verschillende aardappeltelers gaan over op de biologische teelt van aardappelen. Ze gebruiken geen kunstmest en zo weinig mogelijk chemische bestrijdingsmiddelen. Biologisch geteelde aardappelen zijn herkenbaar aan het EKO-keurmerk.
Een methode die het beste past bij het EKO-keurmerk is
afbeelding
Schadelijke gevolgen van chemische bestrijdingsmiddelen
2/2 Eko-keurmerk.
Bij de productie van chemische bestrijdingsmiddelen ontstaan stoffen die het milieu vervuilen. Ook het gebruik van zulke middelen heeft schadelijke gevolgen.
Noem twee van die schadelijke gevolgen.
Grondverbetering in de Biologische Landbouw
Biologische landbouw.
In de biologische landbouw mogen niet alle manieren om grond te verbeteren worden toegepast.
Welke van de manieren van grondverbetering hieronder is of welke manieren zijn niet toegestaan in de biologische landbouw?
Intensieve veehouderij in Nederland
Veeteelt.
Hieronder staan drie antwoorden op de vraag, waarom veel veeteelt in Nederland in intensieve veehouderijen plaatsvindt.
1. Omdat er in de intensieve veehouderij veel dieren op weinig grond kunnen worden gehouden. 2. Omdat een bedrijf voor intensieve veehouderij veel oplevert (vlees, melk of eieren). 3. Omdat door intensieve veehouderij het beste rekening kan worden gehouden met het welzijn van de dieren.
Welk(e) van deze antwoorden is (zijn) juist?
Biologische nadelen van monocultuur
Monocultuur.
De meeste akkerbouwers zetten bij voorkeur één soort gewas op een groot stuk grond. Men noemt dat een monocultuur. Monoculturen treffen we overal in de landbouw aan. Er zijn vooral economische voordelen aan verbonden. Er kleven echter ook nadelen aan, vooral voor het milieu.
Noem twee biologische nadelen die monoculturen kunnen hebben voor het milieu.
Beoordeling van overheidsmaatregelen voor giergebruik
Gier verspreiden.
De overheid wil dat de varkenshouders minder gier (= vloeibare stalmest) verspreiden. Over de bedoelingen die de overheid heeft met deze vermindering worden twee beweringen gedaan:
1. Door minder gier te verspreiden neemt de hoeveelheid zure regen in Nederland af. 2. Door minder gier te verspreiden loopt de volksgezondheid minder gevaar; er komen dan minder mineralen uit de gier in het drinkwater terecht.
Welke van deze beweringen is of zijn juist?
Activiteit van bacteriën in gier
Gier.
Onder een varkensstal ligt een gierkelder waarin de uitwerpselen en urine van de varkens worden opgevangen en bewaard. De gier wordt in het voorjaar over de akkers verspreid. In de gier leven veel bacteriën. Onder andere door de activiteit van bacteriën wordt de gier geschikt om als mest over een akker te worden verspreid.
Welke activiteit van de bacteriën maakt de gier geschikt om over een akker te worden verspreid?
Maatregelen tegen vervuiling door varkensmest
Varkens.
Een boer heeft een bedrijf met 500 varkens. Hij gebruikt de mest van zijn varkens voor het bemesten van zijn maïsvelden. Vlak naast zijn bedrijf ligt ook een groot natuurgebied. Daar is vervuiling vastgesteld, afkomstig van zijn bedrijf. De boer wil het aantal varkens op zijn bedrijf niet verminderen. Hij wil wel maatregelen nemen om de milieuvervuiling in het natuurgebied te verminderen. Daarvoor gebruikt hij al een speciale machine om de mest te verspreiden.
Noem nog twee maatregelen die deze boer kan nemen, om de vervuiling van het natuurgebied door de mest van zijn varkens te verminderen.
Mest, Vervuiling en Voederconversie
1/22 Mest.
INFORMATIE 1 MEST EN VERVUILING Mest is in Nederland een belangrijke bron van vervuiling. Daarom wordt op verschillende manieren geprobeerd de hoeveelheid mest, die in het milieu terechtkomt te beperken. Zo moet een boer voor de te veel geproduceerde mest van zijn bedrijf betalen.
INFORMATIE 2 BACTERIËN IN MEST In mest zijn verschillende soorten bacteriën aanwezig. Bacteriën kunnen stoffen uit mest onder andere omzetten in mineralen en in eiwitten. Deze mineralen en eiwitten kunnen uit de mest worden gehaald en worden gebruikt. Bacteriën in mest vermeerderen zich sneller als er zuurstof aan de mest wordt toegevoegd. Zonder zuurstof zetten bacteriën ook mest om. Dan ontstaat het brandbare gas methaan. Dit methaan is geschikt voor het opwekken van energie.
INFORMATIE 3 VOEDERCONVERSIE Door varkens ander voer te geven dat ze beter kunnen verteren, vermindert de hoeveelheid mest. Een groter deel van het voer wordt dan omgezet in vlees. Op varkensbedrijven onderzoekt men hoe snel varkens groeien, die dat voer krijgen. Men bepaalt dan de hoeveelheid voedsel die nodig is om een varken 1 kg zwaarder te laten worden. Dit noemt men de voederconversie. Hoe lager de voederconversie hoe kleiner de hoeveelheid voer die nodig is.
Zie volgende scherm
Vergelijking van voer voor varkens
2/22 Mest. Zie figuur A 705 van de bijlage.
INFORMATIE 4 EEN PROEF MET VERSCHILLENDE SOORTEN VOER afbeelding
Bij een proef kregen twee groepen varkens verschillende soorten voer (Astrovoer en Standaardvoer). De twee groepen varkens kregen evenveel voer. In het diagram is de gewichtstoename van big tot slachtvarken van de twee groepen varkens weergegeven.
INFORMATIE 5 VERGELIJKING VAN TWEE VARKENSBEDRIJVEN Men vergelijkt twee varkensbedrijven met elk plaats voor 1000 varkens. In bedrijf 1 wordt Astrovoer gebruikt, in bedrijf 2 Standaardvoer. De bedrijfsvoering en inrichting van beide bedrijven zijn verder gelijk. Zo krijgt een varken in beide bedrijven evenveel te drinken. Wanneer slachtvarkens het eindgewicht hebben bereikt, worden de dieren naar het slachthuis afgevoerd. De boer heeft dan weer ruimte voor nieuwe biggen. afbeelding
Zie volgende scherm
-
Varkens en hun gebit
3/22 Mest.
INFORMATIE 6 VARKENS Zie figuur A 706 van de bijlage.
afbeelding
INFORMATIE 7 HET VARKENSGEBIT Zie figuur B 2887 van de bijlage.
afbeelding
Zie volgende scherm
Varkensbedrijf en mestbeheer
4/22 Mest.
INFORMATIE 8 EEN VARKENSBEDRIJF Zie figuur C 293 van de bijlage.
afbeelding
Zie volgende scherm
Soorten varkensvlees en voedingstabel
5/22 Mest.
INFORMATIE 9 VOEDINGSMIDDELENTABEL MET ENIGE SOORTEN VARKENSVLEES
afbeelding
Zie volgende scherm
Bacteriën en hun celstructuur
6/22 Mest.
Theo doet een onderzoek naar bacteriën in mest. Hij vindt een ééncellig organisme met een celkern en een celwand.
Kan dit organisme een bacterie zijn? Zo nee, waarom niet?
Opname van eiwitten en mineralen door maïs
7/22 Mest.
In informatie 2 staat dat bacteriën mest kunnen omzetten onder andere in eiwitten en in mineralen. Een leerling zegt hierover: de eiwitten en de mineralen zouden gebruikt kunnen worden voor bemesting van een voedergewas zoals maïs.