Deze oefentoets bevat 87 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
87
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 4, HAVO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Genetica
Organismen uit een kloon.
Twee organismen uit dezelfde kloon worden met elkaar gekruist. Van de nakomelingen vertoont 25% een eigenschap welke bij geen van de ouders zichtbaar was.
De meest waarschijnlijke verklaring voor dit resultaat is dat voor deze eigenschap
Genetica
Eicellen.
Men ent een tak van een 'gekweekte' homozygote pruimenboom op een 'wilde' onderstam. In de vruchtbeginsels van de bloemen die op deze tak ontstaan, ontwikkelen zich eicellen.
Wat kan men voorspellen van deze eicellen?
Deze eicellen zullen hoogst waarschijnlijk
Genetica
Een gen.
Als men het woord gen gebruikt, bedoelt men
Genetica
Genlocus.
Bij het gebruik van het woord genlocus bedoelt men
Genetica
Selectie.
Selectie toepassen op de nakomelingen van een kruising van twee individuen uit eenzelfde kloon
Genetica
Gedaantewisseling.
Bij de gedaantewisseling van de bananenvlieg vinden grote veranderingen in de lichaamsbouw plaats.
Verandert door de gedaantewisseling het fenotype? En het genotype?
afbeelding
Genetica
Voorbeelden van voortplanting.
Hieronder wordt een aantal voorbeelden van voortplanting gegeven.
1. er worden stekjes genomen van één populier en uit deze stekjes worden nieuwe boompjes opgekweekt, 2. er worden twee bonenplanten die homozygoot zijn, voor alle bekende eigenschappen gekruist, 3. de cellen van een 4-cellig zee-egelembryo worden zodanig kunstmatig gescheiden dat elke cel zich tot een zee-egel ontwikkelt, 4. bij een plant wordt ervoor gezorgd dat er alleen nakomelingen ontstaan als gevolg van zelfbestuiving.
Ga ervan uit dat mutaties niet voorkomen en alle genen die gekoppeld zijn, gekoppeld blijven.
Bij welke van deze voorbeelden zullen de op die wijze ontstane nakomelingen onderling hetzelfde genotype hebben voor alle bekende eigenschappen?
Genetica
Het ei van een zee-egel.
Een bevruchte eicel van een zee-egel is uitgegroeid tot een viercellig stadium. De vier cellen raken los van elkaar en worden door het zeewater verspreid. Uit elke cel groeit een normale zee-egel. Er treden geen mutaties op.
Hebben deze vier zee-egels hetzelfde fenotype? En hetzelfde genotype?
Genetica
Fenotype.
Het fenotype van een organisme komt tot stand alleen door
Genetica
Genotype.
Bij welke van de onderstaande kruisingen zijn alle nakomelingen genotypisch gelijk?
Genetica
Homo- en heterozygoot.
In welke van de volgende beweringen over gewone cellen en geslachtscellen zijn de begrippen homozygoot en heterozygoot goed toegepast?
Genetica
Een kloon.
Van een kloon kan men in het algemeen zeggen dat
Genetica
Homozygote nakomeling.
Wat is een voorwaarde voor het ontstaan van een voor één eigenschap homozygote nakomeling?
Genetica
Tomaten.
Bij tomaten is het allel voor gladde vruchten (E) dominant over dat voor geribde vruchten (e). Er wordt een stukje stengel afgesneden van een tomatenplant die homozygoot is voor gladde vruchten. Dit stukje stengel (de ent) wordt op het onderste deel (de onderstam) van een andere afgesneden tomatenplant bevestigd. De plant waarvan de onderstam afkomstig is, is homozygoot voor geribde vruchten. De ent gaat bloeien en er ontwikkelen zich stuifmeelkorrels.
Welk allel komt of welke allelen komen in deze stuifmeelkorrels voor, als mutaties uitgesloten worden?
Genetica
Chimpansees.
Bij chimpansees is 2n = 48. Bepaalde chromosomen van vrouwelijke chimpansees zijn kopieën van chromosomen van hun grootmoeders van moederszijde.
Als ervan wordt uitgegaan dat er geen mutaties en geen breuken in chromosomen optreden, is dan te bepalen hoe groot het aantal van deze kopieën gemiddeld bij vrouwelijke chimpansees zal zijn? Zo ja, hoeveel?
Genetica
Grootvaders chromosomen.
Bij de mens is het aantal chromosomen per cel 46 (2n).
Maximaal hoeveel chromosomen in een lichaamscel van een meisje kunnen theoretisch kopieën zijn van de chromosomen van haar grootvader van vaderszijde?
Genetica
Gameetvorming.
Een bepaald individu heeft als genotype EEFfGg. De betrokken genen zijn niet gekoppeld.
Hoeveel voor deze eigenschappen genotypisch verschillende voortplantingscellen kan dit individu vormen?
Genetica
Erfelijkheid bij radijsjes.
Bij radijsjes worden zowel de vorm als de kleur van de knolletjes erfelijk bepaald. De vorm kan lang, rond of ovaal zijn; de kleur rood, paars of wit.
Als een plant met lange rode knolletjes wordt gekruist met een plant met ronde witte knolletjes, ontstaan nakomelingen met uitsluitend ovale paarse knolletjes.
Welke planten moet een kweker met elkaar kruisen om zaad te verkrijgen, waaruit uitsluitend planten met ronde paarse knolletjes ontstaan?
Genetica
Radijsjes.
Bij radijsjes worden zowel de vorm als de kleur erfelijk bepaald. De kleur kan rood, paars of wit zijn. De vorm kan lang, ovaal of rond zijn. Het fenotype paars/ovaal is een intermediair fenotype. Een kweker voert de volgende kruisingen uit:
kruising 1: planten met rode, ronde radijs x planten met witte, ovale radijs, kruising 2: planten met rode, lange radijs x planten met witte, ronde radijs, kruising 3: planten met paarse, ronde radijs x planten met paarse, lange radijs, kruising 4: planten met paarse, ovale radijs x planten met paarse, ovale radijs.
Uit elke kruising ontstaan evenveel nakomelingen.
Bij welke van deze kruisingen ontstaan de meeste nakomelingen met paarse, ovale radijsjes?
Genetica
Bloemkleuren.
Bij een monohybride kruising tussen een plant met roze bloemen en een plant met witte bloemen (P-generatie) blijken in de F1
de fenotypen van de ouders beide voor te komen. Het allel voor rood wordt weergegeven door R en dat voor wit door r.
Men kruist een rozebloemige plant uit de F1
met een witbloemige plant uit de F1
.
Hoe zullen de genotypen van de ouders (P) geweest zijn en hoe zal de fenotypenverhouding van de F2
-individuen zijn ten aanzien van de bloemkleur?
afbeelding
Genetica
Parkieten.
Een donkergroen parkietenpaartje heeft na enige jaren in totaal de volgende nakomelingen:
16 donkergroene parkieten, 9 olijfgroene parkieten en 8 lichtgroene parkieten.
De kleur van de veren wordt bepaald door één allelenpaar.
Welke van de onderstaande paringen van deze nakomelingen onderling levert uitsluitend donkergroene nakomelingen op?
Genetica
Shorthorn-vee.
Bij het Engelse Shorthorn-vee komen rode, vaalrode en witte runderen voor. Een veehouder die deze runderen fokt, insemineert vele vaalrode koeien met sperma van één vaalrode stier. Onder de nakomelingen bevinden zich vaalrode, witte en rode kalveren en wel in de verhouding 2 : 1 : 1.
Door welke van de volgende aannamen kan deze verhouding worden verklaard?
Genetica
Gekleurde bloemen.
Bij een kruising tussen een homozygote plant met rode bloemen en een homozygote plant met witte bloemen ontstaat een uniforme F1
met paarse bloemen. Het allel voor de aanwezigheid van kleurstof (bijvoorbeeld rood) is dominant over dat voor de afwezigheid van kleurstof (wit). Bij de vorming van de kleur spelen behalve bovengenoemde allelen ook allelen voor de zuurgraad een rol. Het allel voor de aanwezigheid van kleurstof, samen met het dominante allel voor de zuurgraad, geeft paarse bloemen. Het allel voor de aanwezigheid van kleurstof, samen met het recessieve allel voor de zuurgraad, geeft rode bloemen. De beide genen liggen op verschillende chromosomen.
Welke fenotypen ontstaan in welke verhouding bij terugkruising van een paarsbloemig individu uit de F1
met een roodbloemige ouder?
Genetica
Bloemkleuren.
Bij een kruising tussen een homozygote plant met rode bloemen en een homozygote plant met witte bloemen ontstaat een uniforme F1
met paarse bloemen. Het allel voor de aanwezigheid van kleurstof (rood) is dominant over dat voor de afwezigheid van kleurstof (wit). Bij de vorming van de kleur speelt behalve het bovengenoemde gen ook een gen voor de zuurgraad een rol. Een plant heeft paarse bloemen indien hij tegelijkertijd minstens één allel bezit voor de aanwezigheid van kleurstof en minstens één dominant allel voor de zuurgraad. Een plant heeft rode bloemen indien hij tegelijkertijd minstens één allel bezit voor de aanwezigheid van kleurstof en homozygoot is voor het recessieve allel voor de zuurgraad. De beide genen liggen op verschillende chromosomenparen.
Welke fenotypen ontstaan er en in welke verhouding, bij terugkruising van een paarsbloemig individu uit de F1
met een witbloemige ouder?
Genetica
Bloemkleuren.
Bij leeuwenbekken is het allel E dominant over allel e. Het allel F is dominant over allel f. Bij afwezigheid van allel E is de bloemkleur wit. Bij afwezigheid van allel F en aanwezigheid van allel E is de bloemkleur rood. Bij aanwezigheid van de allelen E en F is de bloemkleur paars. De allelenparen erven onafhankelijk van elkaar over. Bij kruising tussen een homozygote plant met rode bloemen en een homozygote plant met witte bloemen ontstaat een F1
met paarse bloemen.
Welke fenotypen ontstaan er in de F2
en in welke verhouding?
afbeelding
Genetica
Een trihybride kruising.
Twee Drosophila's worden gekruist. Het is homozygoot voor drie eigenschappen, veroorzaakt door de dominante allelen P, Q en R. Het mannetje is homozygoot voor drie eigenschappen, veroorzaakt door de recessieve allelen p, q en r. De genen zijn niet X-chromosomaal. Twee van de genoemde genen zijn gekoppeld. Deze koppeling wordt niet verbroken.
Hoeveel verschillende typen voortplantingscellen kan een vrouwtje uit de F1
maximaal maken, wanneer alleen gelet wordt op de genoemde genen?
Genetica
Gameten.
Bij een bepaalde plantensoort wordt de overerving van drie eigenschappen bestudeerd. De genen voor deze eigenschappen liggen in verschillende chromosomenparen. Het genotype van een bepaalde plant van deze soort is PpqqRr. Deze plant vormt met betrekking tot deze eigenschappen gameten met verschillende genotypen.
Hoeveel verschillende genotypen met betrekking tot deze eigenschappen kunnen voorkomen bij de gameten die deze plant vormt?
Genetica
Vleugellengtes.
Men heeft twee fruitvliegjes die normale, lange vleugels hebben. De ene vlieg is een mannetje, de andere een vrouwtje. Men vermoedt dat een van beide dieren homozygoot is en de andere de recessieve aanleg voor zeer korte vleugelstompjes ('vestigal') bezit.
Welke van onderstaande kruisingen geeft zekerheid over het genotype van beide vliegjes?
Genetica
Pigmentvorming bij een plant.
Bij een plantensoort is het allel E voor pigmentvorming dominant over het allel e voor het ontbreken van pigment. In een ander chromosomenpaar liggen het dominante allel F voor paars pigment en het recessieve allel f voor rood pigment. Een onderzoeker wil het genotype van een paarse plant bepalen. Hij kruist daartoe deze paarse plant met een andere plant.
Welk genotype moet deze andere plant hebben om met zekerheid iets te kunnen zeggen over het genotype van de paarse plant met betrekking tot het wel of niet vormen van pigment en met betrekking tot de kleur?
Genetica
1/4 Een aderlating op zijn tijd was zo slecht nog niet.
Tijdens een aderlating wordt een halve liter bloed afgenomen. Een aderlating werd niet alleen uitgevoerd om van een ziekte te genezen, maar ook om een ziekte te voorkómen en in de Middeleeuwen vond men dat niet alleen de zieke, maar ook de gezonde mens ervan opknapte. Door de opmars van de wetenschap kwam er tussen 1870 en 1880 vrij abrupt en geruisloos een eind aan deze praktijken. Maar helemaal nutteloos is het aderlaten echter niet. Het kan zelfs levensreddend zijn. Tot op de dag van vandaag onttrekken artsen aan een bepaalde groep patiënten nog altijd de nodige litertjes bloed. Dat gebeurt bij mensen die aan de ijzerstapelingsziekte lijden, of zoals de dokter zegt, hemochromatose. De patiënten worden ziek van al het ijzer dat in hun lichaam wordt opgeslagen. Zij nemen veel meer ijzer vanuit de darm op dan gezonde mensen. Deze ijzerstapeling is het gevolg van een erfelijke aandoening. Het is zelfs de meest voorkomende erfelijke aandoening in Europa en de Verenigde Staten. In het begin van de behandeling wordt er één keer per week of per twee weken een halve liter bloed bij de patiënt afgetapt. Als de ijzerwaarde van het bloed weer normaal is, volstaan drie tot vijf aderlatingen per jaar.
Waar kan men in het bloed van deze patiënten ijzer aantreffen?
Genetica
2/4 Een aderlating op zijn tijd was zo slecht nog niet.
Toen men in een landelijk onderzoek vast wilde stellen hoeveel mensen daadwerkelijk aan hemochromatose lijden, viel op dat de ziekte zich pas openbaart tussen het veertigste en het vijftigste jaar. De ziekte komt meer voor bij mannen dan bij vrouwen en vrouwen krijgen het pas op een latere leeftijd.
Deze leeftijd valt samen met het beëindigen van hun vruchtbare periode. Over dit verschil tussen mannen en vrouwen worden twee beweringen gedaan:
1. Tijdens hun vruchtbare periode menstrueren vrouwen, waardoor zij op een natuurlijke wijze bloed verliezen en het ijzergehalte daalt; 2. In hun vruchtbare periode produceren vrouwen FSH en LH, die hun ijzergehalte op een natuurlijk niveau kunnen houden.
Welke van deze beweringen is of welke van deze beweringen zijn juist?
Genetica
3/4 Een aderlating op zijn tijd was zo slecht nog niet.
Als twee hemochromatosepatiënten een kind krijgen, heeft dit kind altijd de ziekte. Als twee gezonde mensen een kind krijgen kan dit kind de ziekte hebben en maakt het niet uit of dat kind een meisje of een jongen is.
Erft het gen voor de afwijking hemochromatose dominant of recessief over? En is het X-chromosomaal of autosomaal (niet X-chromosomaal)?
Genetica
4/4 Een aderlating op zijn tijd was zo slecht nog niet.
In het verleden zullen er, net zoals nu, mensen zijn geweest die aan hemochromatose leden, alleen wist men het niet. De gezinnen waren wel groter dan nu: vroeger waren gezinnen met tien kinderen normaal, terwijl veel gezinnen nu maar twee kinderen hebben. Een gezin uit 1880 met tien kinderen wordt vergeleken met een gezin in 2007 met twee kinderen. In beide gevallen heeft het eerste kind hemochromatose.
Was in 1880 de kans dat het tweede kind ook aan hemochromatose zou lijden groter, gelijk of kleiner dan in 2007?
Genetica
1/2 Bananenvliegjes. Zie figuur B 426 van de bijlage.
In de afbeelding zijn twee lichaamscellen van de insectensoort bananenvlieg schematisch getekend. In de cellen zijn de chromosomen zichtbaar. De verdeling van de X- en Y-chromosomen over de twee geslachten is bij de bananenvlieg hetzelfde als bij de mens.
Kunnen deze lichaamscellen van dezelfde bananenvlieg zijn? Zo nee, is lichaamscel 1 van een mannelijk of van een vrouwelijk dier?
afbeelding
Genetica
2/2 Bananenvliegjes.
Een vrouwelijke bananenvlieg is heterozygoot voor twee niet-gekoppelde eigenschappen. Twee cellen die door deze vlieg door meiose van één cel zijn geproduceerd, worden met elkaar vergeleken. Aangenomen wordt dat geen mutaties zijn opgetreden.
Hebben deze twee cellen hetzelfde genotype voor deze twee eigenschappen? Zo nee, hoeveel verschillende genotypen voor deze twee eigenschappen zijn mogelijk?
Genetica
1/2 Schelpen. Zie figuur B 3734 van de bijlage.
De afbeelding is een foto van schelpen van Argopecten irradians, een kamschelpsoort. Deze schelpdieren leven in de Atlantische oceaan langs de Amerikaanse kust. Ze zijn tweeslachtig. Er zijn drie varianten: een met gele (1), een met zwart-witte (2) en een met oranje (3) schelpen.
bewerkt naar: William K. Purves e.a., Life, The Science of Biology, 5th ed., Sinauer Associates, 1997, 241
Op de foto zie je schelpen van drie ouders (genummerd 1 t/m 3). Deze ouders produceren nakomelingen door zelfbevruchting. Van de ouder met de gele schelp (1) heeft 25% van de nakomelingen een zwart-witte schelp en 75% een gele schelp. Van de ouder met de zwart-witte schelp (2) hebben alle nakomelingen een zwart-witte schelp. De ouder met de oranje schelp (3) krijgt nakomelingen waarvan 25% een zwart-witte en 75% een oranje schelp heeft. Er zijn drie allelen voor schelpkleur: 'geel', 'oranje' en 'zwart-wit'.
Welk allel is of welke allelen zijn op grond van bovenstaande gegevens dominant?
afbeelding
Genetica
2/2 Schelpen.
Nakomelingen van deze schelpdieren kunnen op twee manieren ontstaan:
mogelijkheid 1: een zaadcel en een eicel van ‚n dier versmelten (zelfbevruchting); mogelijkheid 2: er worden zaadcellen en eicellen met andere individuen van dezelfde soort uitgewisseld.
Welke voortplantingswijze draagt vooral bij aan de instandhouding van de soort op de lange termijn? Leg je antwoord uit.
Genetica
1/3 Erfelijkheidsonderzoek.
Tekst: Sinds 1987 heeft de Vrije Universiteit van Amsterdam een tweelingregister dat voor onderzoek wordt gebruikt. De tweelingen worden opgespoord via de babyfelicitatiedienst. Het bestand van de VU bevat de gegevens van zeventienduizend tweelingen. Het betreft zowel eeneiige als twee-eiige tweelingen. De ouders krijgen om de twee jaar een vragenlijst voorgelegd waarmee informatie over het gedrag van hun tweeling verzameld wordt.
bron: Volkskrant, 28 juni 1997
Van de zeventienduizend tweelingen zijn er x eeneiig en y twee-eiig.
Hoe groot is het aantal tweelingen van verschillend geslacht dat je kunt verwachten?
Genetica
2/3 Erfelijkheidsonderzoek. Zie figuur B 1176 van de bijlage.
Om de invloed van de genen op het gedrag te onderzoeken worden vaak tweelingen vergeleken. De meeste informatie leveren eeneiige tweelingen waarvan de individuen in verschillende milieus opgegroeid zijn. Het probleem is echter dat er niet zoveel van die tweelingen zijn. Daarom worden tweelingen onderling vergeleken. In het schema in de afbeelding is met cijfers aangegeven welke vergelijkingen voor dit onderzoek gemaakt kunnen worden.
Welk cijfer geeft de vergelijking die de meeste informatie oplevert over de invloed van de genen op het gedrag?
afbeelding
Genetica
3/3 Erfelijkheidsonderzoek.
Bij de VU spoort dr. Dorret Boomsma, samen met onderzoekers in Amerika en Australië, verbanden op tussen DNA en depressiviteit. Zij hoopt dat haar onderzoek kan leiden tot de ontwikkeling van een geneesmiddel tegen depressiviteit. In het volgende citaat van dr. Boomsma is een woord weggelaten: "Een gen codeert voor een ... en als je die stof hebt, heb je in principe een geneesmiddel".
Noteer het woord dat in bovenstaande zin moet worden ingevuld. [invulveld]
Genetica
1/3 Terugkruising.
Wat wordt bij een terugkruising bepaald?
Genetica
2/3 Terugkruising.
Welke soort eigenschap moet het organisme hebben, waarmee wordt teruggekruist?
Dit moet een [invulveld] eigenschap zijn.
Genetica
3/3 Terugkruising.
Welke soort eigenschap moet het organisme hebben, dat wordt teruggekruist?
Dit moet een [invulveld] eigenschap zijn.
Genetica
1/2 Melkvet.
Bij runderen komt het vetgehalte van de melk onder andere tot stand door drie onafhankelijk overervende genenparen, P1
en P2
, Q1
en Q2
en R1
en R2
. Het vetgehalte is hoger naarmate er meer genen van type1 aanwezig zijn. Een bepaalde koe geeft melk met een gemiddeld vetgehalte; deze koe heeft het genotype: P1
P2
Q1
Q2
R1
R2
.
Hoeveel verschillende eicellen met betrekking tot deze drie genen samen kunnen maximaal door deze koe worden gevormd?
Genetica
2/2 Melkvet.
De koe met genotype P1
P2
Q1
Q2
R1
R2
wordt geïnsemineerd met sperma van een stier met hetzelfde genotype. De koe krijgt een kalf dat als volwassen dier melk geeft met een vetgehalte dat hoger is dan dat van de melk van haar moeder.
Hoeveel genen van het type1 heeft de stier minimaal aan het kalf doorgegeven?
Genetica
1/2 Dresie en Casie. Zie figuur B 3746 van de bijlage.
De afbeelding is een foto van Dresie en Casie uit West-Transvaal, Zuid-Afrika: een blanke eeneiige tweeling.
Over deze tweeling worden twee beweringen gedaan:
1. Het verschil in bouw van de oren bij Dresie en Casie bestond al bij de geboorte en berust dus op een verschil in genotype. 2. Deze tweeling heeft zeker dezelfde bloedgroep.
Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?
afbeelding
Genetica
2/2 Dresie en Casie.
In hun woongebied, West-Transvaal, is het aantal zonuren per jaar hoog, waardoor daar veel UV-straling de aarde bereikt. Beide blanke mannen lopen daarbij meer gezondheidsrisico dan hun zwarte landgenoten.
Welk risico lopen ze en leg uit waardoor dit risico groter is voor de beide blanke mannen dan voor hun zwarte landgenoten.
49 zwart-wit gespikkelde, 27 zwarte en 24 witte dieren.
Welk gegeven is overbodig?
Genetica
2/4 Kippen kruisen.
Hoe erft de kleur over?
Genetica
3/4 Kippen kruisen.
Wat is het fenotype en wat het genotype van de F1
?
Genetica
4/4 Kippen kruisen.
Wat zijn de genotypen van de F2
-dieren?
Genetica
Nachtschones kruisen.
Variëteiten van de plantensoort Nachtschone worden gekruist:
- witte bloemen x rode bloemen.
Na zelfbestuiving van de F1
ontstaat een F2
met:
83 rode, 164 roze en 78 witte bloemen.
Geef een verklaring voor deze getallen.
Genetica
Cavia's kruisen.
Gegeven de kruising van cavia's:
- bruingeel x wit.
De F1
hieruit wordt lichtgeel.
Hoe ziet de F2
eruit na onderlinge kruising van de F1
-dieren? Verklaar.
Genetica
Controlekruising.
Men heeft een zwarte cavia. Men wil weten of dit dier homozygoot dan wel heterozygoot is.
Bedenk een kruising waarmee dit probleem is op te lossen. Schrijf de kruisingsschema's op.
Genetica
Selectie.
Selectie in een kloon of zuivere lijn heeft geen zin, omdat de individuen hiervan
Genetica
Kloon.
Een aantal organismen kan samen een kloon vormen.
Het begrip kloon is van toepassing op alle individuen die ontstaan
Genetica
1/3 Het koningshuis van Beieren.
Volgens een bepaalde hypothese is er bij de ziekte schizofrenie sprake van intermediaire overerving. Daarbij is 'schizoïde psychopathie' intermediair tussen 'gezond' en 'schizofreen'. Mensen met schizoïde psychopathie hebben kenmerken die enigszins overeenkomen met schizofrenie, maar in minder ernstige vorm. Aanleiding voor deze hypothese is dat ouders met schizoïde psychopathie vaak schizofrene kinderen hebben. In dit verband kan de stamboom van de twee Beierse koningen Ludwig II en Otto I naar voren gebracht worden. Zij stammen af van hertog Wilhelm van Braunschweig- Lüneburg, die leed aan schizofrenie.
afbeelding
Zie volgende scherm
Genetica
2/3 Het koningshuis van Beieren. Zie figuur A 1194 van de bijlage.
Aan het eind van de stamboom staan de beide schizofrene koningen, een tragisch einde van het Beierse vorstenhuis.
Bereken, uitgaande van de intermediaire overerving, de kans voor Maximilian II en Marie Friederike, dat twee van hun zoons schizofreen zouden zijn.
afbeelding
Genetica
3/3 Het koningshuis van Beieren. Zie figuur A 1194 van de bijlage.
Bekijk de stamboom nogmaals (zie afbeelding hiernaast). Uit die stamboom kun je een argument halen op grond waarvan de hypothese van intermediaire overerving verworpen moet worden.
Geef dit argument.
afbeelding
Genetica
1/3 Zilvervosfarm. Zie figuur B 5423 van de bijlage. Zie figuur B 5424 van de bijlage.
Op een zilvervosfarm werd een jong geboren, een mutant met een zeer lichte vacht, platina genoemd (figuur 1). Kruisingen van dit dier met fokzuivere zilvervossen (figuur 2) gaven evenveel platina- als zilverkleurige jongen.
Het genotype van de mutant moet dan, wat zijn vachtkleur betreft, geweest zijn
afbeeldingafbeelding
Genetica
2/3 Zilvervosfarm.
Men wilde nu een fokzuiver platinaras fokken.
Wat is daartoe de beste manier?
Genetica
3/3 Zilvervosfarm.
Toen men de, naar men dacht, fokzuivere platinavossen terugkruiste met homozygoot recessieve vossen om na te gaan of men inderdaad fokzuivere platinavossen had gekregen, vond men weer gemengde worpen met zowel platina- als zilvervossen in de verhouding 2:1.
Wat kun je hieruit afleiden over het gen voor platina?
Genetica
PKU.
Als twee mensen zelf gezond zijn, maar beiden een gen dragen voor een stofwisselingsziekte als PKU, hoe groot is dan de kans dat hun eerste baby de ziekte heeft?
Genetica
3/3 Aanraking.
Waar haalt de plant het calcium vandaan dat bij de stofwisseling nodig is? Uit .....................
Genetica
Muizengenetica.
Een muis met een witte vacht werd gekruist met een muis met een zwarte vacht. De F1
had een grijze vacht.
Welke fenotypische verhoudingen kunnen worden verwacht voor de F2
die ontstaat na onderlinge kruising van de F1
-muizen?
Genetica
Hartritmestoornissen.
Soms heeft een hartritmestoornis op jonge leeftijd wel een erfelijke basis. In een publicatie over hartritmestoornissen staat: "Het komt ook voor, dat iemand met een erfelijke hartritmestoornis de eerste is in zijn familie".
Leg uit hoe door overerving iemand als eerste in zijn familie deze hartritmestoornis kan hebben.
Genetica
Neushoorns in Afrika.
In Afrika komen twee soorten neushoorns voor: de Puntlipneushoorn (Diceros bicornis) en de Breedlipneushoorn (Ceratotherium simum). Beide diersoorten worden met uitsterven bedreigd. De neushoorns leven in geïsoleerde populaties en ze worden intensief bejaagd door stropers. Van de oorspronkelijk meer dan 65.000 Puntlipneushoorns bijvoorbeeld zijn er nu minder dan 2500 over.
Ook al zouden er geen Puntlipneushoorns meer worden gedood door stropers en ook al hebben ze voldoende ruimte en voedsel, dan nòg loopt deze soort gevaar in de loop van een aantal generaties uit te sterven.
Leg uit dat het gevaar voor uitsterven samenhangt met het feit dat de dieren in zeer kleine populaties leven.
Genetica
Erwtenplanten. Zie figuur B 1584 van de bijlage.
In de afbeelding geeft tekening 1 een deel van een bloeiende erwtenplant weer. Tekening 2 geeft een bloem van deze plant weer en tekening 3 twee zaden. Sommige zaden van deze erwtenplant zijn rond, andere hoekig. Tekening 4 geeft de wortels van deze erwtenplant weer. In tekening 5 is een organel uit een cel van de erwtenplant schematisch weergegeven. De erwtenplant van de afbeelding vormt na de bloei twee typen zaden: ronde en hoekige, die in de verhouding 3 : 1 aan deze plant voorkwamen. Het type zaad wordt bepaald door een gen van het embryo in het zaad. Er is een allel voor hoekig zaad en een allel voor rond zaad.
Is deze erwtenplant homozygoot of heterozygoot voor het zaadtype? Geef een verklaring voor je antwoord met behulp van een kruisingsschema.
Amerikaanse onderzoekers hebben een gen gevonden dat een sleutelfunctie vervult bij de ontwikkeling van borsttumoren. Het speelt een belangrijke rol in de uitzaaiingsfase, als borstkanker het moeilijkst behandelbaar en dus het gevaarlijkst is. Het gen, SATB1 geheten, is een moleculaire hoofdschakelaar. Door het product van dit ‘meestergen' kunnen vele andere genen worden aangezet. Vooral genen die te maken hebben met celgroei en celdeling. SATB1 blijkt erg actief in agressieve borstkankercellen.
Dit soort onderzoek naar kanker is erg belangrijk omdat kanker altijd begint in de genen. Tumorvorming begint met een gemuteerd gen. Bij borsttumoren kunnen de genen BRCA1 en BRCA2 een rol spelen. Deze genen onderdrukken normaal de tumorgroei. Na mutatie van de genen BRCA1 en BRCA2 treedt juist groei van borsttumoren op.
Op welke wijze kan een meisje het mutante gen van haar ouders erven?
Genetica
1/3 Variatie bij hardlopers.
Enige tijd geleden werd een 'atletiekgen' ontdekt, het ACE-gen. Er zijn twee allelen bekend: Ag
en As
. Het product van het Ag-allel activeert een hormoon uit de bijnieren. Dit hormoon speelt een sleutelrol bij de regulatie van de bloeddruk, maar is ook betrokken bij het regelen van het vermogen van spiervezels tot opname van zuurstof en glucose. Bij een onderzoek ondergingen drie groepen soldaten gedurende tien weken een intensief trainingsprogramma. De soldaten hadden dezelfde basisconditie, maar verschillende ACE-genotypen. In de tabel hieronder staan de resultaten van het trainingsprogramma, gemeten bij het onderzoek.
afbeelding
Hoe wordt het heterozygote fenotype genoemd dat verschilt van de homozygote fenotypen?
Genetica
2/3 Variatie bij hardlopers.
Twee heterozygote mensen (Ag
As
) krijgen samen een kind.
Hoe groot is de kans dat dit een kind zal zijn dat later, na een intensief trainingsprogramma, een conditieverbetering van ongeveer 66% zal scoren?
Genetica
3/3 Variatie bij hardlopers.
Er worden vier celtypen onderzocht op de aanwezigheid van het Ag-allel bij een heterozygote persoon:
In welke van de volgende vier groepen zullen de onderzoekers gemiddeld de grootste genetische variatie in de DNA-fragmenten aantreffen?
Genetica
Evolutie van de mens.
Analisten bepaalden de nucleotidenvolgorde van een stuk DNA van de mens. Dit stuk DNA codeert voor een van de enzymen die betrokken zijn bij de vorming van huidpigment. Zij vergeleken de gevonden nucleotidenvolgorde met die van hetzelfde stuk DNA van de meest verwante soort in het dierenrijk, de chimpansee. De chimpansee heeft een blanke huid. Op basis van de gevonden verschillen concludeerde men dat het minstens 1,2 miljoen jaar geleden moet zijn dat een zwarte huidskleur is ontstaan. In diezelfde periode is de beharing van de mens verdwenen.
Hoe noem je een deel van een DNA-streng dat codeert voor een enzym?
Genetica
Pijlkruid.
Wordt de ontwikkeling van een blad bij het pijlkruid uitsluitend door erfelijke factoren bepaald, uitsluitend door milieufactoren of door beide factoren?
Genetica
Darmflora.
De bacteriesoorten die in de darm van mensen voorkomen, kunnen van persoon tot persoon verschillen. De Wageningse onderzoeker Erwin Zoetendal vroeg zich af wat hiervan de oorzaak is. Met een nieuwe onderzoekstechniek bestudeerde hij de samenstelling van bacteriesoorten in de ontlasting van drie groepen mensen. Groep 1 bestond uit een aantal eeneiige tweelingen. Groep 2 bestond uit een aantal twee-eiige tweelingen en hun broers en zussen van verschillende leeftijden. Groep 3 bestond uit een aantal echtparen. Die echtparen vormden een commune, woonden samen, aten samen en hadden dezelfde levensstijl maar er was geen verdere familieband tussen hen. De onderzochte familieleden uit de groepen 1 en 2 waren volwassenen die gescheiden van elkaar leefden. Uit de resultaten van zijn onderzoek kon Zoetendal de conclusie trekken dat de soortensamenstelling van bacteriën in de darm (darmflora) tot stand komt onder invloed van erfelijke factoren en dat omgevingsfactoren er nauwelijks invloed op hebben.
Welke overeenkomsten in de darmflora vond Zoetendal bij de drie groepen?
Genetica
1/2 Infarcten en cholesterol.
Onder de inwoners van het afgelegen Italiaanse bergdorpje Limone aan het Gardameer bevindt zich een groep van 46 mensen met een variant van HDL die vet (en daarmee cholesterol) sneller afvoert naar de lever dan normale HDL. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij een voorouder uit de 18e eeuw een verandering in een gen voor een HDL-eiwit moet zijn opgetreden. Het dorpje lag lange tijd zeer geïsoleerd. Tot 1932 was er geen weg naar andere dorpen.
Noteer de naam van zo'n verandering in een gen.
Deze verandering heet een [invulveld].
Genetica
2/2 Infarcten en cholesterol.
Verklaar waardoor deze zeer zeldzame variant in Limone bij zoveel mensen voorkomt.